DE ROEPSTEM - DIE ROEPSTEM
Suid-Afrika en NamibiëVlaanderenNederland en de Nederlandse AntillenSuriname

Na
 die Hoofbladsy van Die Roepstem

Naar Thuisbladzijde


Alfabetische Woordenlijst Afrikaans - Nederlands


Door Marcel Bas.

Met dank aan Auke Sietsma voor het toevoegen van een deel van de woorden.



Zuid-Afrikaans - Nederlandse woordenlijst

Dit is de grootste (Zuid-)Afrikaans-Nederlandse woordenlijst op het internet, samengesteld door Marcel Bas. Marcel Bas geeft, onder andere, Nederlandse les aan Afrikaanstaligen en Afrikaanse taalles aan Nederlands- en Duitstaligen en hij is onder meer vertaler van het Afrikaans.

Veel Nederlandstaligen noemen deze taal, onterecht, Zuid-Afrikaans. Dit wekt de indruk dat de taal een Zuid-Afrikaanse, regionale en zelfs afwijkende of incorrecte variant is van het Nederlands. Dit is echter onwaar. Het Afrikaans is uit Hollandse dialecten ontstaan, in een tijd dat er nog geen Standaardnederlands bestond. Bovendien zou de term Zuid-Afrikaans veronderstellen dat alle overige 10 officiële talen in Zuid-Afrika er niet horen of ook in andere landen gesproken. Daarnaast is het Afrikaans, met zijn ruim 6 miljoen sprekers in Zuid-Afrika en Namibië, een taal die overal in Zuid-Afrika onderwezen wordt, die een wetenschapstaal is, voer- en collegetaal is op scholen en universiteiten, een cultuurtaal en wat dies meer zij.

Sommige Afrikaanse woorden bestaan niet, terwijl veel Nederlandstaligen denken dat ze wel bestaan:

  • 'Loerpypie' (NL: verrekijker) is in het Afrikaans gewoon 'verkyker';
  • 'Amperbroekie' (NL: tanga(-slipje)) is in sommige kringen gewoon een 'g-string', maar meestal een deurtrekkertjie. Ook ´leuk´, toch?
  • 'Kokkie' en 'Hysbakkie' (NL: kokje en liftje) (allemaal uit een hardnekkig bekende reclame van Knorr uit 2007) zijn gewoon 'kok' en 'hysbak'. De Nederlanders maken toch ook niet constant gebruik van hun verkleinwoorden?
  • Uit diezelfde reclame komt 'Pletterpet' (NL: veiligheidshelm). Dit woord is in normaal Afrikaans gewoon veiligheidshelm, maar voor de grap zegt men ook wel pletterpet.
  • Ook een hardnekkig misverstand is dat de Zuid-Afrikaan 'kan-nie-sink-nie-skippie' voor 'onderzeeboot' zou zeggen. Maar ook in het Afrikaans zegt men gewoon duikboot en, minder, onderseeboot.
  • En dan het onverklaarbare 'stront-in-die-broekie' (Nl: diarree). Dat is gewoon 'diarree' of 'maagwerking' in het Afrikaans.

    Bij begrippen die verwarring kunnen veroorzaken (zoals wat het verschil is tussen 'arties' en 'kunstenaar', of wat 'steen' betekent) heb ik voorbeeldzinnen bedacht die de betekenis duidelijker moeten maken. Verder ben ik bij veel woorden ingegaan op de geschiedkundige, etymologische, sociale en culturele achtergrond.





  • Vir soek: druk Ctrl + f
    Voor zoeken: toets Ctrl + f.


    Afrikaans

    Nederlands

    aalwee, aalwyn - zn

    aloë
    Vgl. 'Kanniedood'

    aanbied

    aanbieden, presenteren

    aanbieder

    presentator (radio, TV)

    aand - zn

    avond

    aandete - zn

    avondeten

    aangaan

    gebeuren; verder gaan / voortgaan; betreffen
    ("Wat gaan hier aan?" = Wat is er hier aan de hand? / "Vir sover as dit my aangaan..." = Wat mij betreft... / "Dit het so vir 'n halwe dag aangegaan." = Het ging zo'n halve dag door.)

    aanpiekel

    (met moeite) dragen, vervoeren; gaan, lopen

    aansitterig

    aanstellerig, overdreven emotioneel
    Opm.: De Nederlandse zin "Stel je niet aan" wordt dan ook als "Moenie so aansitterig wees nie" vertaald en niet als "Moenie jou aansit nie" of iets dergelijks.

    aanskakel

    aanzetten, aandoen, inschakelen
    Opm.: dit werkwoord wordt bij electronische apparaten gebruikt, wat te vertalen is met 'aandoen, aanzetten': "Skakel die televisie aan, asseblief" en "Ek het nou die motor aangeskakel" = "Ik heb nu de auto/motor aangedaan"
    'Aansit' wordt hier ook gehoord, maar dit wordt als minder netjes beschouwd.
    Vgl. 'afskakel'

    aansoek - zn

    verzoek, sollicitatie

    aansteeklik

    besmettelijk (ziekte)

    aap;
    uitdr.: Die ~ uit die mou laat

    aap;
    uitdr.: Een geheim verklappen

    aar

    (koren-)aar; ader - zn

    aardig

    onaangenaam, naar, misselijk, zich niet lekker voelend; ongemakkelijk, slecht, gegêneerd, beschaamd; irritant, aanstotelijk; aanzienlijk, groot
    Zie verder bij arig, met verdere uitleg over deze voor het Nederlands ongebruikelijke betekenis

    aartappel, ertappel - zn

    aardappel

    aartappelskyfies - zn

    patates frites; chips
    (vgl. 'slaptjips')

    aasvoël - zn

    gier
    Vgl. 'gier'

    abba

    op de rug dragen

    abuis

    verkeerd, niet juist, 'er naast', abuis
    (Ek is ~ = Ik heb het mis, ik zit ernaast)

    ablusieblok - zn

    toilet- en wasgelegenheid op een camping

    afdelingswinkel - zn

    warenhuis

    afdraaipad - zn

    afrit, afslag

    afdraand(e) - zn

    zn. helling (naar beneden); bijw. bergafwaarts
    (vgl. 'opdraand(e)')

    affodil - zn

    narcis

    afklim

    uitstappen (bus e.a.)

    afneem

    afnemen, fotograferen

    affêring, affêre - zn

    affaire

    afgehaal voel (ek voel afgehaal)

    zich beledigd, vernederd voelen

    afhaal

    afhalen, afdoen, afzetten
    ("Hy haal sy helm/hoed van sy seuntjie se kop af" = "Hij neemt zijn helm/hoed van het hoofd van zijn zoontje af"; "Haal jou boeke af" = "haal je boeken er vanaf"). Vlg. 'ophaal' en 'oplaai'

    afklim

    uitstappen (bus e.a.)

    afneem

    afnemen, fotograferen

    afrigter - zn

    trainer

    afskakel

    uitzetten, uitdoen, uitschakelen
    Opm.: dit werkwoord wordt bij electronische apparaten gebruikt, wat te vertalen is met 'uitdoen, uitzetten', 'uitschakelen': "Skakel die televisie af, asseblief" en "Ek het nou die motor afgeskakel" = "Ik heb nu de auto/motor uitgezet"
    'Afsit' wordt hier ook gehoord, maar dit wordt als minder netjes beschouwd.
    Vgl. 'aanskakel'

    aftorring

    aftornen

    aftree

    met pensioen gaan

    aftree-oord - zn

    complex met bejaardenwoningen

    aftrek

    aftrekken (geen seksuele connotatie), naar beneden trekken, downloaden
    iemand se aandag aftrek = iemands aandacht afleiden

    aftrekorder - zn

    machtiging tot automatische afschrijving

    aftrekplek - zn

    parkeerplaats langs de snelweg (dus geen zgn. 'afwerkplek'!)

    afslag zn.

    korting
    Opm.:Hoewel in het Afrikaans zowel het woord korting als afslag bestaat, wordt afslag vaker gehoord. In het Nederlands is dit net andersom, en wordt 'afslag' meer bij grote bestellingen (bij `bulk´, bijvoorbeeld) of bij groothandels gebruikt.
    "By hierdie grootmaatbestelling het ek 'n goeie afslag gekry" = "Op deze bulkbestelling heb ik veel korting/afslag gekregen"
    "Kry nou afslag by jou reis na Europa!" = "Krijg nu korting op je reis naar Europa!"

    afslag ww.

    villen

    afsterwe

    (verh.; arch.) doodgaan, overlijden; (modern Afr.) contact verliezen met vrienden, familie, kennissen ("Hy het sy vriende afgesterf vandat hy oorsee gaan bly het")

    agtermekaar

    voor elkaar, in orde

    agterste (plat) - zn

    achterwerk

    aikona, aikôna, haikôna

    nee!, helemaal niet!, over m'n lijk!

    aitsa!

    uitroep van verbazing

    akkedis - zn

    hagedis

    akkerboom - zn

    eikenboom

    albaster, albastertjie - zn

    knikker

    algemene handelaar - zn

    soort 'Winkel van Sinkel'

    alikreukel / arikreukel / arikruik / alikruik - zn

    'alikruik'; grote zeeslak die zich op rotsen ophoudt (Turbo sarmaticus)

    alleenloper, enkelloper zn

    vrijgezel, alleenstaande

    alleenlopend, enkellopend bijv. nw.

    vrijgezel, alleenstaand

    almal

    iedereen, elkeen, allen
    Opm.: In tegenstelling tot het Nederlands, gebruikt het Afrikaans 'almal' als het onderwerp in een zin, terwijl het in het Nederlands enkel een onbepaald telwoord is dat aan het onderwerp toegevoegd wordt (wij, jullie, zij allemaal). Het Nederlandse gebruik van 'allemaal' treft men echter ook in het Afrikaans aan. De volgende zinnen moeten het bovenstaande illustreren.
    "Almal in Paterson weet waar lê Kaapstad. Maar weet almal in Kaapstad waar lê Paterson?" = "Iedereen in Paterson weet waar Kaapstad ligt. Maar weet iedereen in Kaapstad waar Paterson ligt?"
    "Suid-Afrika, waar almal tuisvoel." = "Zuid-Afrika, waar iedereen zich thuisvoelt."
    "Dit is 'n groot vrees vir ons almal." = "Dat is een grote vrees voor ons allemaal/allen."

    In het Afrikaans kent men ook' elkeen', maar dit betekent meer 'eenieder', 'iedereen afzonderlijk'. Het Engels kent deze betekenis ook, van each (one).
    Vgl. 'enigeen'

    almanak - zn

    kalender
    Opm.: In het Afrikaans kunnen 'almanak' en 'kalender' door elkaar gebruikt worden en betekenen ze precies hetzelfde, al wordt 'kalender' veel vaker gebruikt. Het Nederlandse woord almanak, d.i.een jaarlijkse publicatie met allerhande terugkerende informatie, is in het Afrikaans te vertalen met 'almanak'.

    amandel - zn

    amandel (de boom en de steenvrucht waarvan de pit eetbaar is als noot (Prunus dulcis); niet de lymfeorganen achterin de keel)
    Opm.: De benaming voor de lymfeorganen achterin de keel die in het Nederlands amandelen genoemd worden (tonsillen), zijn 'mangels' in het Afrikaans (zie aldaar).

    amper

    bijna
    Opm.: Het Nederlandse 'amper' kan het beste benaderd worden door 'skaars' of in mindere mate 'nouliks' te gebruiken:

    amperbroekie (weinig gebr.) - zn

    tangaslipje
    Opm.: in plaats van 'amperbroekie' zegt men in het Afrikaans 'deurtrekkertjie' om het tangaslipje of, in het Engels, de g-string mee aan te duiden.

    amptelik

    officieel

    anderkant

    aan de andere kant / aan de overzijde
    ("anderkant die longdrop kry jy die bure se erf" = aan de andere kant van het buitentoilet vind je het terrein van de buren)
    (vgl. 'duskant' en 'oorkant')

    anderland - zn

    het buitenland
    ("ek wil nie in anderland bly nie; anderland se kos is so vreemd" = ik wil niet in het buitenland wonen; het eten in het buitenland is zo raar)

    angstig

    angstig, verlangend

    antrasietstoof - zn

    kolenkachel

    appelkoos - zn

    abrikoos

    appelliefie - zn

    struik met grote, eetbare, appelachtige bessen (Physalis viscosa en P. angulata)

    apteek - zn

    drogist, apotheek

    aptytwekker - zn

    aperitief

    arig

    naar, ongesteld; beschaamd, niet op z'n gemak; onvriendelijk, irritant, onaardig
    Opm.: In het Nederlands betekent aardig 'vriendelijk'. De voor het Nederlands tegenstrijdige betekenis van het Afrikaanse aardig en arig is eenvoudig te verklaren door te kijken naar het zeventiende-eeuwse Nederlands; algemeen betekende aerdich 'beleefd, vriendelijk' (Jan de Vries: 1971), zoals nu in het Algemeen Beschaafd Nederlands, maar in dialecten betekende het 'vreemd, eigenaardig'. Er zijn Vlaamse dialecten waar die negatieve betekenis behouden is. Daar zegt men 'aorig' om een ongemakkelijke situatie aan te duiden (G.J. van Wyk (red.), Etimologiewoordeboek van Afrikaans: 2003).

    arm (mv. arms) - zn

    arm, armen (ledematen)

    arme, armes - zn

    arme, armen

    arties - zn

    kunstenmaker, circusartiest, 'artist'
    Opm.: 'arties' betekent niet NL. 'artiest'. Het is dus geen musicus of een ander soort kleinkunstenaar. Men moet het eerder zoeken in het circus en bij spektakels).
    ("Dit is lewensgevaarlik om 'n sweefstok-arties se kunsies te probeer nadoen" = Het is levensgevaarlijk om de kunsten van een acrobaat te proberen na te doen). Zie verder bij 'kunstenaar'

    asseblief

    alstublieft
    Bij verzoek: "Vir meer inligting moet jy asseblief net die bostaande vorm invul" = Voor meer informatie verzoeken wij je het bovenstaande formulier in te vullen.

    astrant

    brutaal

    atjar - zn

    groente in azijn (maar niet hetzelfde gerecht als de Indische atjar in Nederland en Indonesië

    Awendmaal - zn

    (bijbels) (Laatste) Avondmaal

    B

     

    baadjie - zn

    jasje, colbert

    baadjiepak - zn

    mantelpak

    baai

    zn. baai; ww. baden, vrijetijdszwemmen
    (vgl. 'bad)

    Die Baai - zn

    bijnaam voor Port Elizabeth

    baaibroek - zn

    zwembroek

    baas - zn

    baas, (vero.) beleefde aanspreekvorm voor blanke
    ("'Goeiemôre, Baas', sê ou Gladman Nqumela vir die boerseun wat sowat sestig jaar jonger is as hy.")

    baba - zn

    baby

    babelas, babelaas, babalaas - zn

    kater (van drank)

    baber - zn

    Afrikaanse meerval (wijdverbreide Zuid-Afrikaanse zoetwatervis Clarias gariepinus)
    ('baber' stamt af van het Nederlandse woord 'barbeel')

    baie

    (bijw.) erg, zeer; vaak; (telw.) veel
    ("Ek het baie geslaap" / "Ek voel baie ongelukkig" / "Baie veel mense gee nie om vir omgewingsbewaring nie.")
    Opm.: veel wordt alleen gebruikt als het beheerst wordt door baie of te. Dus erg veel is in het Afrikaans 'baie veel' en niet 'baie baie', en 'te veel' is gewoon 'te veel'.

    'Zo veel' is daarentegen 'so baie', tenzij je er een stellende trap (van vergelijking) mee wilt uitdrukken:
    "Ek dink so baie aan ons samensyn in Clifton..."
    "Daar is so baie mense op die Strydomplein vandag."
    (soms hoor je hier ook so veel)

    Maar:
    "As 'n volk het ons net so veel reg op selfbeskikking as ander volke."
    "Probeer so veel as moontlik om jou waardigheid te behou."

    bakgat (gemeenz.)

    erg goed
    ("dit gaan ~ " = Het gaat erg goed)

    bakkie - zn

    pick-up truck (kleine vrachtwagen met open bak)

    baklei

    op de vuist gaan

    baljaar

    spelen, huppelen

    bandopnemer - zn

    cassetterecorder

    bankfooie - zn

    bankkosten

    banknoot - zn

    bankbiljet

    bankrot

    failliet, bankroet

    bankstaat - zn

    dagafschrift van de bank

    battery - zn

    accu, batterij

    beampte - zn

    ambtenaar

    bed - zn

    bed, bedding

    bedanking - zn

    dankbetuiging, ontslag

    bedanking inhandig

    ontslag nemen

    bederf, bederwe

    bederven; verwennen
    (vgl. 'verpes')

    bedlêend

    bedlegerig

    bedorwe brokkie - zn

    verwend kind

    beenaf

    verliefd
    ("Sy het beenaf op hom geraak" = Zij werd verliefd op hem)
    (vgl. pootuit)

    bees - zn

    koe
    (vgl. 'gogga' en 'dier')

    beesvleis - zn

    rundvlees

    beet - zn

    bieten

    beetslaai - zn

    bietensalade

    beethê

    beethebben, vasthebben

    befoeterd

    slecht gehumeurd

    bekendstel, bekend stel

    introduceren

    bek-af, bekaf

    teleurgesteld, verontwaardigd, moe

    bemarking - zn

    marketing

    bêre

    opbergen, sparen
    (vgl. 'stoor')

    bêrekopie - zn

    soort afbetaling

    besef

    beseffen, zich realiseren
    Opm.In het Afrikaans kent men niet het werkwoord zich realiseren. Gebruik daarom altijd besef

    besering - zn

    bezering, verwonding, blessure

    besig

    druk, bedrijwig

    besigheid< - zn

    zaak, handel

    besigheidsman - zn

    zakenman

    besigheidsure - zn

    openingstijden

    beskinder

    belasteren

    beskuit - zn

    harde, uitgedroogde koek, vaak met karnemelk bereid, in blokjes gesneden en gedoopt in de koffie; Z.A. Engels 'rusk'
    Vgl. 'boerebeskuit, boerbeskuit'

    besoedel - ww

    verontreinigen, vervuilen

    besoedeling - zn

    verontreiniging
    (vgl. 'omgewingsbesoedeling')

    bestelling - zn

    afspraak

    bestuur - zn

    besturen, rijden
    (motor bestuur = auto rijden

    bestuurder - zn

    bestuurder; manager

    bestuurderslisensie - zn

    rijbewijs

    beursie - zn

    portemonnaie

    bewaringsbewus

    milieubewust
    (vgl. 'omgewingsbewaring')

    bewertjie, bewertjies - zn

    trilgras: Europese grassoort met hartvormige aartjes (geslacht Briza)

    bielie - zn

    super; kanjer

    biesies - zn

    bies, rus (biezen van het geslacht Junca)
    (uitdr. 'dat die biesies bewe'= 'als een tierelier')

    'n bietjie - zn

    een beetje, eventjes
    ("Ek gaan so'n bietjie kook" = Ik ga even koken)
    Opm.: Abusievelijk zegt - en schrijft - men vaak 'bietjie', zonder het onbepaald lidwoord.

    bilharzia - zn

    ziekte door larven in rivierwater

    biltong - zn

    gedroogd rund- of wildsvlees dat men in lappen of in kleine stukjes koopt en vervolgens met een biltongmesje eet (traditioneel Boere-eten!)

    binnenhuisversierder - zn

    binnenhuisarchitect

    bitterappel - zn

    doornachtige nachtschadestruik met blauwe bloemen, gelobde bladen en grote, kogelronde, olijfgroene, harde bessen (sodomsappel): dit is een notoir 'onkruid' (Solanum sodomaeum)

    blaai om (b.o.)

    zie ommezijde

    blaarslaai - zn

    sla

    blaaskans - zn

    rustpauze, tijd om bij te komen

    blameer (vaak als anglicistische constructie 'iets op iemand blameer')

    de schuld geven aan
    ("Blameer dit op Apartheid!" = Geef Apartheid maar weer de schuld!)

    blaps - zn

    flater, vergissing

    blatjang - zn

    zoet-zure saus met azijn,abrikozen etc., i.e. chutney

    bles

    kaal
    (vgl. 'kaal' en 'haarloos')

    bleskop - zn

    kaalhoofdig

    blikemmer - tussenw.

    lieve hemel!, sodeju!

    blikoopmaker - zn

    blikopener

    bliksem - zn

    zn bliksem, deugniet, snuiter;
    ww iemand slaan, meppen
    ("Ek gaan jou bliksem as jy nie ophou nie!");
    - tussenw.verdomme!
    (vgl. 'blikskottel', 'foeter' en 'donner')

    blikskêr - zn

    blikopener

    blikskottel - zn

    deugniet
    Opm.: Dit soort woorden, blikemmer en blikskottel, zijn eigenlijk afgeleid van 'bliksem'; taboevorming zal hier de oorzaak van zijn.

    blindings - zn - zn

    rolgordijnen; jaloezieën: 'luxaflex'

    blits

    weerlicht, lichtflits

    blits- (woorddeel)

    flits-, snel-, vlug-

    blitsverkoper - zn

    bestseller

    blitsvinnig

    heel snel

    bloeddoortapping - zn

    bloedtransfusie

    bloei

    bloeden
    (vgl. ww. 'blom')

    bloekomboom - zn

    eucalyptussoort uit Australië
    (>'bluegum tree', Eucalyptus globulus uit Zuid-Australië en Tasmanië)

    Bloemies, Bloem (gemeenz.)

    Bloemfontein

    blokkiesraaisel, blokraai - zn

    kruiswoordraadsel

    blokkiesvloer - zn

    parketvloer

    blom - zn

    bloem

    blom - ww

    bloeien
    (vgl. 'bloei')

    blombedding - zn

    bloembed, perk
    (vgl. 'bed')

    blomkool - zn

    bloemkool

    bloot

    slechts, ronduit, alleen maar
    (vgl. kaal)

    bo

    boven

    bobaas

    zn de allerbeste; bijv nw top-, super-
    ("Op hierdie CD sal jy vanjaar se bobaas treffers vind." = Op deze CD vind je de allerbeste hits van dit jaar / "Ons verkoop net bobaas braaivleis." = Wij verkopen alleen top-barbecuevlees / "Boerbone is bobaaskragkos" = Tuinbonen zijn top-krachtvoer)

    bobbejaan - zn

    baviaan

    bobotie - zn

    eenpansmaal met vlees en kerrie, van Indiase oorsprong

    boeglam (jou ~ skrik)

    zich kapotschrikken

    boekenhout - zn

    boomsoort (Faurea saligna)
    (>dial. Ned voor 'beukenhout', omdat de boom op de Europese beuk lijkt)

    boeke merk

    schriften nakijken

    boekevat - zn

    huisgodsdienstoefening

    boekrak - zn

    boekenplank, -kast
    Vgl. 'rak'

    boep, boepens - zn

    dikke buik

    boerbone - zn

    tuinbonen

    boerdery - zn

    het boeren, een agrarisch bedrijf runnen
    Vgl. plaas

    boerbeskuit, boerebeskuit - zn

    harde, uitgedroogde koek, vaak met karnemelk bereid, in blokjes gesneden en gedoopt in de koffie; Z.A. Engels 'rusk'

    boerekos - zn

    traditionele plattelandse gerechten

    boereplaas - zn

    boerderij

    boererate - zn

    huismiddeltjes

    boereverneuker (plat) - zn

    oplichter, matennaaier

    boerewors - zn

    zeer populaire, speciale verse barbecue-(braai)worst, bestaande uit runder- en varkensgehakt, gemalen spek, gekruid met o.m. kruidnagelen, koriander, worcestersaus en azijn of citroensap

    boeta - zn

    oudere broer, oudste broer

    boet, boetie - zn

    broer(tje), ventje, (amicaal, schertsend) vriendje

    boetebessie - zn(gemeenz.)

    vrouwelijke parkeerwachter

    bog - zn

    onzin

    boggom / bôgom

    geluid / roep v.e. baviaan

    bohaai - zn

    lawaai, ophef

    bokant - zn

    bovenkant
    (Vgl. 'anderkant', 'duskant', 'oorkant')

    bokant - vz

    boven, aan de bovenkant van
    Opm.: Bokant my bed hang 'n skildery
    (Vgl. 'anderkant', 'duskant', 'oorkant')

    bokkem - zn

    op bokking gelijkende vis
    ("'n Lekker bossie bokkems" = Een lekker zooitje bokking)

    bokkie - zn

    geitje, bokje; (gemeenz.) meisje, grietje

    bokmakierie - zn

    geelgrijs zangvogeltje waarvan de roep op "bokmakierie!" lijkt: Telophorus zeylonus

    boks - zn

    zn.doos; ww. boksen

    Boland - zn

    deel van de Kaapprovincie (ook Westelike Provinsie genoemd)

    bolla - zn

    haarknot

    bollemakiesie - zn

    koprol
    ("Bollemakiesie slaan / maak" = een koprol maken)

    bolyf - zn

    romp

    bontspring - zn

    uitvluchten zoeken

    bontstaan

    hard werken

    boom - zn

    boom; wiet
    ("Jy lyk sleg; het jy die naweek dalk te veel boom gerook?" = Je ziet er slecht uit; heb je dit weekend soms te veel wiet gerookt?)
    Vgl. 'dagga', 'zol' en 'skyf'

    boonop

    bovendien

    boontoe

    naar boven toe

    bo-op

    bovenop

    bo-oor

    boven over heen

    boord - zn

    boomgaard

    boorgat - zn

    waterwel

    boos

    boos, euvel, verdorven
    ("Ek is boos vir jou" = "Ik ben boos op jou" / "Om Satan te volg is 'n bose daad" / 'Ons veg nie teen vlees en bloed nie, maar teen die Bose').
    Vgl. 'kwaad', 'kwaai', 'vies'.

    bootry

    bootje varen

    borg - zn (mv. borge); ww

    zn. sponsor (mv. sponsoren); ww sponsoren
    ("Ons supermark borg die dorp se wedloop" = Onze supermarkt sponsort de hardloopwedstrijd van het dorp / "Ons soek borge vir die wedloop" = We zoeken sponsoren voor de wedstrijd)

    borrie - zn

    koenjit / kurkuma / geelwortel (Curcuma longa)

    bors - zn

    borst (in alle betekenissen)
    ("Ons sing die volkslied uit volle bors")

    borslappie - zn

    slabbetje

    borsspeld - zn

    broche

    bosberaad - zn

    bepaalde vorm van brainstormen, georganiseerd op een afgelegen plek of op een commercieel jachtlandgoed

    bossie - zn

    struikje, kruid, bosje, zooitje (vis)
    Opm.: bossies zijn ook een bepaalde soort vegetatie, bestaande uit kleine, geharde struikjes met heel fijne takjes die in de droge, aride gebieden leven. In de Karoo, op het Hoëveld en elders vindt men bijvoorbeeld het kankerbossie, kakiebos, ag-dae-geneesbos; kleine plantjes die houtig zijn om tegen het harde klimaat bestand te zijn.

    bossies ( ~ uittrek)

    onkruid (wieden)

    bossiestee - zn

    rooibostee

    bosvark - zn

    penseelzwijn
    (gedrongen soort inheemse zwijnachtige; Potamochoerus porcus)
    (vgl. 'vlakvark')

    Bosveld - zn

    Noord-Transvaals landschap
    Dit landschap wordt gekenmerkt door hoog gras met schaarse groei van bomen, waar grootwild graast. Bomen die er groeien zijn Acacia erioloba (kameeldoring), Acacia luederitzii (baster-haak-en-steek), Boscia albitrunca (witgatboom) en Terminalia sericea (vaalbos).

    bot - bijv. nw.

    bot (bijv. nw.)
    (vgl. 'been')

    bottel - zn

    fles
    (vgl. 'fles')

    bottelstoor - zn

    slijterij
    Opm.: i.p.v. het anglicistische bottelstoor zegt men liever drankwinkel)

    botter - zn

    boter
    Hy botter sy brood aan albei kante = Hij eet van twee walletjes

    botterblom, botterblommetjie - zn

    soort gazania (Gazania krebsiana)

    botterbroodjies (skons) - zn

    scones

    boud(e) - zn

    bil(len)

    bougenootskap - zn

    bank voor huisleningen

    bra - bw

    nogal; eigenlijk; weinig
    ("Die aantal reaksies is bra beperk" = Het aantal reacties is nogal beperkt)

    bra - zn

    beha

    braaf

    dapper
    Wie denkt dat dit een anglicisme is, zal verbaasd zijn te merken dat men in ouder Nederlands ook 'braaf' zei om 'dapper' of 'stoutmoedig' mee aan te duiden.

    braai(vleis) - zn

    barbecue

    braaivleisaand - zn

    barbecue-avond

    brak(kie) - zn

    (bastaard)hond

    brakkiesbakkie - zn

    doggie bag

    brander - zn

    grote watergolf

    branderplank - zn

    surfplank

    branderry

    surfen

    bredie - zn

    stoofpot, vaak met suring (Nl. klaverzuring: Oxalis)bereid

    breekgoed - zn

    servies

    brein - zn

    hersenen (van mensen)
    (vgl. 'harsings')

    breinvliesontsteking

    hersenvliesontsteking

    briek

    - zn rem; ww remmen
    ("Briek aandraai" = Op de rem trappen, afremmen)

    broei

    broeien, broeden
    ("'n Groot storm broei by die kus" = Er dreigt een storm bij de kust / "Papegaaie broei nie maklik nie" = Papegaaien broeden niet makkelijk)

    broeikas - zn

    couveuse

    broeikasbaba - zn

    couveusekind

    broekiekouse - zn

    panties

    broerskind - zn

    neef, nicht, oomzegger

    bromfiets - zn

    brommer, motorfiets
    (Vgl. 'brommer')

    brommer - zn

    bromvlieg
    (Vgl. 'bromfiets')

    bromponie - zn

    scooter

    brug - brûens - zn

    brug - bruggen

    brug ( ~ speel)

    bridge spelen, bridgen

    bruismeel - zn

    zelfrijzend bakmeel

    buite-

    buiten- (als voorvoegsel)
    Opm.: Net als in het Nederlands schrijft men in het Afrikaans het woord buiten mét n (men spreekt er deze n ook steevast uit!), en ok zonder n. Maar in woordverbindingen vervalt de n steeds. Zie hieronder, bijv., bij buitemuurs, en vergelijk het lemma buiten, buite.

    buitemuurs

    deeltijds (student), extraneus

    buiten, buite

    buiten
    (Vgl. 'buite-')

    buiten vir

    behalve, buiten
    Dit is eigenlijk een anglicisme (except for), en het wordt als volgt gebruikt: "Buite vir my, is daar niemand wat omgee vir 'n eerlike debat nie." = Buiten mij is er niemand die iets om een eerlijk debat geeft.

    buitepasiënt - zn

    poliklinische patiënt

    bul - zn

    stier
    'Stier' wordt in het Afrikaans gebruikt om er het gelijknamige sterrenbeeld mee aan te duiden)

    bulk

    loeien

    byderhand

    bij de hand, dichtbij
    ("In hierdie baie onveilige stad hou ek my pistool byderhand.")

    byderwets

    modern, eigentijds

    by die huis

    bijw. thuis

    bykomstighede - zn

    accessoires

    byt - zn

    beet
    ("Byte van insekte kan gevaarlik wees" = Insectenbeten kunnen gevaarlijk zijn)

    D

     

    daai

    (gemeenz.) die, dat
    ("Daai ou is darem 'n lelike ding!" = "Die gozer is toch lelijk!")
    Vgl. 'daardie' en 'dié'

    daardie (aanw.vnw)

    die, dat
    (vgl. 'daai', dié' en 'hierdie')

    daar's hy, dankie

    alstublieft (bij het aangeven van iets)

    dadelbrood - zn

    dadelkoek

    dadelik

    meteen, gelijk
    Opm.: In het Nederlands betekent dadelijk tegenwoordig 'straks'. Gebruik voor het Nederlandse 'dadelijk' het woord 'netnou', ''n bietjie later', en om het nog gezwinder te maken 'nou-nou'.

    dagboekie - zn

    agenda

    dagbreek - zn

    dageraad

    dagga - zn

    hasj, wiet
    Opm.: De in Zuid-Afrika groeiende lipbloemige Wildedagga (Leonotis Leonurus, ook duiwelstabak genoemd) is niet verwant aan de ons beruchte wietplanten van het geslacht Cannabis. Met zijn mooie, oranje, buisvormige, viltige lipbloemen is Leonotis leonurus een heester die eerder aan een enorme dovenetel of salie doet denken. Hij wordt gebruikt als traditioneel medicijn tegen koorts, hoofdpijn, hoesten en dysenterie. Ook de eenjarige planten Leonotis ocymifolia en L. nepetifolia hebben een bedwelmende en geneeskrachtige werking, bijvoorbeeld bij diabetes type II.
    Vgl. 'boom', 'zol' en 'skyf'

    dagha - zn

    specie, aangemaakte cement

    dagsê

    goedendag

    dagsorgsentrum - zn

    crèche

    dalk

    misschien
    Opm.: 'dalk' en 'miskien' kunnen naast elkaar gebruikt worden, al wordt 'miskien' in fomelere stukken gevonden, en 'dalk' minder. 'Dalk' komt voort uit het Nederlandse woord 'dadelijk'
    (vgl. 'dadelik')

    dam - zn

    stuwmeer, meer

    damwal - zn

    dam

    dan en wan, af en toe

    af en toe
    (Zie verder bij 'elke dan en wan')

    dankie

    dank U, dank je wel

    darem

    toch, wel
    ("Dit het die hele week gereen, maar ons het darem ´n lekker vakansie gehad!" / "Jy was besig! Het jy toe darem jou werk klaargemaak?" / "Ja, die probleem is nou opgelos, maar darem... Ek is nog steeds ontsteld daaroor...")

    deftig

    netjes
    ("Julle Hollanders praat altyd so deftig!" / "Vanaand is ons almal deftig geklee in 'n donker pak met 'n wit hemp en 'n wit das")

    deken - zn

    sprei
    (Vgl. 'kombers' en 'duvet').

    delg

    aflossen (van schuld of zonde)
    ("Hoe kan ek my skuld delg as ek werkloos is?")
    Vgl. 'skuld' en 'opdok'.

    derduisende - telw

    vele duizenden

    derduiwel - zn

    plaaggeest, duivel

    derms - zn

    darmen

    denim - zn

    spijkerbroek

    deur

    deur zn; door voorz.

    deurmekaar

    door elkaar, in de war, verward, ver heen (bijv. van drank)
    ("Ek raak heeltemal deurmekaar as jy aanhou Afrikaans met Hollands meng" = "Ik raak helemaal in de war als jij het Afrikaans met het Nederlands blijft mengen").

    deurmekaarspul - zn

    chaos

    deurentyd(s)

    steeds

    die

    de, het
    ("Die meisiekind, die ou, die vrou, die voël, die land" = "het kleine meisje, de jongen, de vrouw, de vogel, het land").
    Vgl. 'dié'

    dié

    die, dat (als verwijzing naar iets dat je eerder genoemd hebt)
    ("In Suid-Afrika koop selfs die ouderlinge op Sondag die koerant. Dié dag is by Nederlandse christene egter by uitstek die dag van rus en geloof.")

    dié: dit is ~ dat...

    daarom
    ("Vandag sal dit mooiweer en warm wees. Dit is dié dat ek 'n sambreel saamgebring het." = Vandaag zal het zonnig en warm zijn. Daarom heb ik een parasol meegebracht.")

    Die Baai - zn (gemeenz.)

    Port Elizabeth

    Die Kaap - zn (gemeenz.)

    Kaap de Goede Hoop

    Die Paarl (spr. 'die pêrel') - zn

    Paarl
    (dorp in de Westkaap, vernoemd naar de ronde, glinsterende heuvel op het gemeentelijke grondgebied)

    dier - zn

    dier, beest
    FONT SIZE="-1">Vgl. 'bees'

    dik

    dik (v. muren, enz); vol (na gegeten te hebben)
    ("Wil jy nog aartappels?" "-Nee, ek is dik, dankie")

    dikwels

    vaak, dikwijls

    dinee - zn

    diner
    (vgl. ete)

    ding - zn

    ding; stokpaardje, favoriete bezigheid; rage, hype, etc.
    De betekenissen favoriete bezigheid, stokpaardje en rage zijn van Engelse herkomst en kunnen niet altijd zo vertaald worden. Bijvoorbeeld:
    "Vroeër was daar 'n boikot teen Suid-Afrika, maar nou is ons land dié ding in toerisme." Of nog anglicistischer: "Deesdae is Afrikaanse sokkiejolliedjies die in ding by kroeë."
    Een andere betekenis is beter vrijer te vertalen: "Sonder Engelse woorde kan Afrikaans maar nie sy ding doen nie." = " Zonder Engelse woorden kan het Afrikaans niet (helemaal) functioneren."

    dinkskrum - zn

    denktank

    disnis

    duizelig, erg ver heen, 'lam', 'gek', etc.
    ("ek skrik/lag my disnis!" = ik schrik/lach me rot! "Ek hardloop my disnis" = ik ren tot ik een ons weeg. / "Ek eet my disnis" = ik eet me lam/gek/ etc, etc.)
    Vgl. 'boeglam', 'deurmekaar'

    doek(ie) - zn

    doek; luier

    dog / gedog

    dacht / gedacht / vermoeden gehad hebben

    dogter - zn

    (jong) meisje, dochter

    dolosgooi

    waarheidszegging door op de grond gegooide botjes te bekijken

    dom-astrant, domastrant

    eigenwijs en brutaal

    domkrag - zn

    krik

    donderstorm - zn

    onweer

    donga - zn

    droge beekbedding, diepe sloot, diepe gleuven en gaten in grond door erosie of heftige regenval
    (soms worden zulke gleven en gaten in de grond 'geute' genoemd)

    donkie - zn

    ezel

    donkiewerk - zn

    sleurwerk

    donner - zn

    zn. donder, deugniet, snuiter, (geen) zier; ww slaan, rammen, vallen ('donderen'); tussenw verdomd, verdomme
    ("Ek gee geen donner om nie" = Het kan me geen donder/zier schelen / "Hoor die donner in die lug." = Hoor de donder in de lucht / "Waar is die donner nou?" = Waar is die snuiter nou?

    dood - dooie

    dood - dode

    doodmaak

    doden, vermoorden

    doodtrek

    doorstrepen

    door - zn

    dooier
    Opm.: Men zal eerder 'geel van 'n eier' zeggen
    (vgl. 'deur')

    doos - zn(plat)

    idem, sukkel, halve gare, enz.
    ("Jou doos!" = Jij Sukkel!)

    dop - zn

    neut, borrel; dop
    (vgl. 'regmakertjie', 'sopie', 'neut' en 'voggies'

    dophou

    in de gaten houden

    Dopper - zn

    lidmaat van de Nederduitsch Gereformeerde Kerk

    doring - zn

    doorn; 'geweldenaartje'
    ("Jou doring!" = Je bent een engel! / Wat een geweldenaar! / Goed van jou!)

    doringboom - zn

    'doornboom' (meestal bomen van het geslacht Acacia e.d.)

    doringdraad - zn

    prikkeldraad

    dorp - zn

    dorp, gemeente, woonplaats
    Opm.: Bij het invullen van formulieren wordt niet altijd naar woonplek gevraagd, maar naar dorp. Dit betekent in dit geval hetzelfde.

    douvoordag

    voor dag en dauw
    Vgl. 'kniediepvoordag'

    draad trek (plat)

    zich aftrekken

    draadsitter - zn

    iemand die geen kant kiest

    draai - zn

    zn.bocht, draai; ww.draaien

    draai loop

    toilet bezoeken
    ("Moenie in die bos draai loop nie." = Niet je behoefte in het bos doen)

    draai maak

    bezoeken
    ("Kom maak gerus 'n draai as jy in Suid-Afrika is.")

    draf

    hardlopen; joggen

    drif - zn

    doorwaadbare plaats in de rivier

    drip - zn

    infuus

    droesel - zn

    droesem

    droë vrugte - zn

    gedroogde vruchten

    dronk

    dronken; (zn.) dronk

    dronkgat (plat)

    dronken, bezopen

    dronkslaan

    verbijsteren

    droogmaak

    verbrouwen

    droogskoonmaker - zn

    stomerij

    druip

    druppelen; zakken (voor examen)

    druiwe - zn (mv.)

    druiven

    druiwekorrel - zn (enkv.)

    druif

    druk - zn

    ww stevige omarming geven (Eng. 'to hug')

    druk, drukkie - zn

    korte omarming ter hartelijke begroeting

    Opm.: In Zuid-Afrika omarmt men elkaar aldus vaker dan in de Nederlanden; bij een weerzien of een afscheid voor langere tijd omarmen mannen vrouwen en vice versa (bekenden, vrienden, verre familie) elkaar, ook als er geen heftige emoties bij komen kijken.

    drukspyker - zn

    punaise
    (Vgl. 'duimspyker')

    drumpel - zn

    drempel, dorpel

    dryf

    besturen (auto, paardenwagen); drijven; (be-)drijven
    ("'n Besigheid dryf" = Een zaak drijven)

    duet - zn

    twee huizen onder een kap

    duiker - zn

    duiker: zeer kleine antilope (van het geslacht Cephalophus)

    duikweg - zn

    tunnel, viaduct

    duimgooi/duimry

    liften

    duimspyker - zn

    punaise

    Duitse masels - zn

    rode hond

    duskant

    deze kant, deze zijde; aan deze kant, aan deze zijde
    ("Duskant het ons nie sulke probleme nie" = Aan deze kant (van de oceaan) hebben we niet zulke problemen / "Duskant die rivier." = Aan deze kant van de rivier.)
    (vgl. 'anderkant', 'oorkant')

    duvet - zn

    dekbed

    duwweltjie, dubbeltjie - zn

    doorgaans twee plantensoorten (Emex australis en Tribulus terrestris) die in het gras groeien en stekelige, harde vruchten hebben die, wanneer erop getrapt, in voeten en poten blijven zitten (zeer pijnlijk)

    dwelmmiddels - zn

    drugs

    dwelms - zn

    drugs

    E

     

    ê; eg

    eg - zn (mv. êe)

    êe, eg

    eggen - ww

    eeld - zn
    (vaak in de anglicistische meervoudsvorm eelde uitgedrukt)

    eelt

    eetplek - zn

    restaurant

    eetsalon - zn

    restauratie (trein)

    effens, effentjies

    een beetje, net, lichtelijk
    ("Hierdie boek is effens beskadig" / "Die Rand kan teen die einde van die jaar effens styg" / "Ons peusel effens, en dan gaan ons waai" = We eten eventjes (een beetje) en dan gaan we ervandoor.)

    eiendomsagent - zn

    makelaar in onroerend goed

    eier - zn (mv. eiers)

    ei (mv. eieren)

    eina!

    tussenw. au!

    eindpuntgebou - zn

    terminal

    eksie-perfeksie

    fantastisch, geweldig

    ekskuus (tog) / 'skuus (tog) / askuus (tog)

    sorry, pardon

    eland - zn

    grote antilope (Taurotragus oryx)

    elke dan en wan

    zo af en toe
    Opm.: Toevoeging van het woord 'elke' bij dit soort woordgroepen wordt als anglicistische invloed beschouwd ('every now and then'). Men kan ook volstaan met dan en wan en af en toe.

    enigeen

    een ieder; wie dan ook
    ("Moenie dat/lat enigeen vir jou ore aansit nie!" = Laat je niet door wie dan ook overtroeven!)

    enjin - zn

    motor (spr 'enjin' als [℮nj∂n])

    enkelloper, alleenloper - zn

    vrijgezel, alleenstaande

    enkellopend, alleenlopend - bn

    vrijgezel, alleenstaand

    enkelouer - zn

    alleenstaande ouder

    era - zn

    tijdperk
    (Vgl. 'tydperk' voor verdere uitleg)

    erd-, erde-

    aard-, aarde- ('erdewerk', 'erdvark')

    erdvark - zn

    aardvarken
    Opm.: geen varken of zwijn, maar een Afrikaans dier dat holen graaft en 's nachts tevoorschijn komt en op termietenjacht gaat. Doet aan miereneter denken, heeft lange snuit met heel kleine bek aan uiteinde; heeft holle tanden en een lange, beweeglijke tong waarmee hij in termietenheuvels peurt. Net als de mol brengt hij met zijn gegraaf schade toe aan het boerenland, tot ergernis van de boeren. Het is onbekend aan welke zoogdiersoorten het aardvarken verwant is: Orycteropus afer)

    erdwolf - zn

    aardwolf
    (soort bruine, grote hyena: Proteles cristatus)

    erdwurm - zn

    regenworm, aardworm

    êrens

    ergens
    Vgl. 'iewers'

    ete - zn

    diner, etentje, maaltijd
    Dus niet ´voedsel´, zoals in het Nederlands de betekenis van ´eten´ ook kan zijn.
    Vgl. 'aandete', 'dinee', 'wegneemete'en ´kos´

    ertjie - zn

    erwt

    ewe bijw.

    even
    "Hierdie krimpvark en mol is ewe groot" = Deze egel en mol zijn even groot / "Almal is nie ewe mooi nie, maar wat maak dit saak?" = Niet iedereen is even mooi, maar wat maakt het uit?

    Opm.: Vaak zegt men ewe skielik als men praat over een plotselinge gebeurtenis: "Die Engelse sê dit reën nooit nie en dan sous dit ewe skielik" = De Engelsen zeggen dat het nooit regent, en dan stortregent het plotseling.

    F

     

    fees - zn

    festival
    (Vgl. 'partytjie')

    fiemies - zn

    kuren, lastig gedrag
    ("Hy is vol fiemies")
    (vgl. 'skeet')

    fietsry - zn

    ww. fietsen

    fisant - zn

    fazant

    flenters - zn

    flarden, flenters
    ("aan flenters" = aan flarden, aan flenters)

    flerrie - zn

    zn. losbol, een liefje, een flirt (gezegd van een meisje); ww. flirten

    fles - zn

    flacon, thermosfles
    (vgl. 'bottel')

    fliek - zn

    bioscoopfilm
    ("Gaan fliek" = Naar de bioscoop gaan)

    flieksaal - zn

    bioscoopzaal

    flikkerlig - zn

    richtingaanwijzer

    flits - zn

    zn. zaklantaarn; ww. flitsen

    flou

    futloos, flauw (flou val, 'n flou-ogige man).
    Vgl. 'laf'.

    flous

    voor de gek houden, plagen

    foeter

    slaan
    (vgl. 'befoeterd')

    fok (plat)

    geslachtsgemeenschap hebben
    (Vgl. 'neuk' en 'naai').

    fôkol (plat)

    niks, geen zier, noppes, 'geen fuck'
    ("Ons het fôkol geld." / "Ek voel fôkol.")

    fondament - zn

    achterwerk

    fooi - zn

    honorarium, wettelijk verschuldigde gelden

    fooitjie - zn

    fooi, 'drinkgeld'

    fotostaat - zn

    fotokopie

    fotostateer - ww

    fotokopiëren

    fraiing - zn

    franje; pony (haar)

    frats - zn

    speling der natuur, speling van het lot, bizarre afwijking, vreemde snuiter

    frats-

    woorddeel: bizar, totaal verrassend (en vaak noodlottig) als een speling der natuur; als een speling van het lot
    Opm.:Dit is moeilijk te vertalen in het Nederlands omdat er in het Nederlands gekozen wordt voor een bijvoegelijk naamwoord of een beschrijving, en niet voor het zelfstandig naamwoord, zoals frats-.
    Zie de volgende Afrikaanse woorden, ter illustratie: fratsongeluk (noodlottig, bizar ongeluk); fratsgolf (noodlottige, onverwachtse vloedgolf); fratstaal (een taal die toevallig, bij wijze van ongeluk is ontstaan); fratsdonderstorm (een hevige onweersbui die mensen verrast en overrompeld heeft)

    frikkadel - zn

    bal gehakt

    fris

    stevig (van lichaamsbouw), potig; levendig; fris

    frokkie - zn

    mouwloos hemd (dat men onder kleren draagt).
    (Vgl. verder 'T-hemp' en 'hemp'.)

    fudge - zn

    soort brokkelende snoep in blokjes gesneden, die aan toffee of caramel doet denken

    funksie - zn

    functie; receptie, feestje, plechtigheid

    G

     

    gaaf

    plezierig, vriendelijk
    ("Sal jy dalk so gaaf wees om vir my hierdie gunsie te doen?" = Zou je misschien zo vriendelijk willen zijn om mij deze gunst te doen?)

    (gaan) bad

    zn. bad; ww. (gaan ~ ) een bad nemen
    (Vgl. baai)

    galeiproef - zn

    drukproef van een onopgemaakte pagina

    garing - zn

    garen
    "Kom ek wys jou hoe om garing deur 'n naald te kry."

    gars - zn

    gerst

    gastekamer - zn

    logeerkamer

    gat - zn (plat)

    achterwerk
    Opm.: 'gat' wordt overal gebruikt als krachtterm.

    gatkruiper - zn (plat)

    slijmbal, iem. die graag witte voetjes haalt bij anderen

    gatlekker - zn (plat)

    slijmbal, iem. die graag witte voetjes haalt bij anderen

    gedaan

    kapot, erg moe; op; gedaan; afgelopen
    ("Ek is gedaan vir hierdie werk!" = Ik ben te moe voor (heb het gehad met) dit werk! / "Knap gedaan!" / "Goed gedaan!" / "Gedane sake het geen keer nie." / "Dit is makliker gesê as gedaan." / "So gesê, so gedaan." / "Bange vrae het in sy gemoed opgekom: is dit nou gedaan met die HERE se verbondsliefde en genade?" Psalm 77:8)
    Opm.: 'gedaan' is een sterke, verbogen vorm van het werkwoord doen. Normaliter zegt men 'gedoen', maar in dergelijke vaste uitdrukkingen komt de oude, Nederlandse vorm 'gedaan' terug.

    gedoente - zn

    gedoe, drukte, lawaai, bezigheid; iets verbazingwekkends, opzichtigs; spullen, dingen
    Vgl.'goed', 'goeters'

    gedurig

    steeds

    (geel)wortel - zn

    koenjit, curcuma
    (Vgl. 'borrie')

    geil

    welig, vruchtbaar

    geitjie - zn

    gekko (verscheidene hagedissoorten met zuignappen aan tenen)

    gekonfyt

    goed op de hoogte van ...

    gek skeer; die gek skeer met

    de draak steken met

    gemaklik

    gerieflijk, naar je zin
    "Is jy gemaklik?" = "Zit je goed?"
    Opm.: Dit woord betekent iets wezenlijk anders dan maklik, wat '(ge-)makkelijk' , 'niet moeilijk' betekent.
    Vgl. maklik en gerief

    gemeenskap hê

    gemeenschappelijk godsdienst hebben

    gemeente - zn

    gemeente (alleen van kerk)

    gemmerbier - zn

    ginger ale; gemberbier

    gemors - zn

    narigheid, zooitje; onzin; verspilling ('n gemors van tyd = tijdsverspilling)
    Vgl. 'mors'

    genadedood - zn

    euthanasie

    geneul - zn

    gezeur

    geniepsig

    geniepig pijn doend; geniepig
    ("Ek het my voete geniepsig in die Kalahari-son gebrand." / "Jou skoonma is 'n geniepsige vrou sonder humor.")

    genugtig!

    uitroep van verbazing, beïndrukt zijn

    gerief - zn

    gemak, comfort, voorziening
    "In die gerief van" = "Met het comfort van":
    "Ek sit altyd en drink whiskey en rook 'n sigaar in die gerief van my groot armstoel."
    Of: "Ons hotel is uitgerus met lugreëling en internetgeriewe" = "In ons hotel bevinden zich airconditioning en internetgemakken/internetvoorzieningen"
    Vgl. gemak, gemaklik en maklik

    gerook

    stoned

    geselligheid - zn

    gezelligheid; feestje

    gesels

    converseren, babbelen, praten; ernstig praten
    Opm.: De betekenis 'ernstig praten' moet eufemistisch worden opgevat: "Ons moet gesels" = "Wij moeten eens ernstig praten"

    geselsie - zn

    praatje, babbel

    geselstaal - zn

    gewone, alledaagse spreektaal

    gesiggies - zn

    viooltjes (bloemen, Viola spp.)

    gesiggestrem

    visueel gehandicapt, slechtziend

    geskinner - zn

    geroddel

    gesog - gesogte

    gezocht, gewild, populair, veelgevraagd

    gestremd

    gehandicapt

    gesuip (plat)

    bezopen, lazerus

    geur - zn

    smaak (toegevoegd aan consumptiewaren)
    Opm.: Het Nl. woord 'geur' moet vertaald worden met Afr. 'reuk' of 'ruik'

    geut - zn

    goot

    gewild

    populair

    gewoond raak aan

    wennen aan

    gier - zn

    rage, hype
    "Die nuutste gier is om tradisionele kos en kontreikos voor te berei" = "De nieuwste rage is het bereiden van traditioneel eten of regionaal eten."
    Vgl. 'aasvoël'

    glad (nie)

    helemaal (niet)

    glips - zn

    ongelukje

    glo

    geloven

    glo (adj.)

    naar het schijnt

    goed(jies) - zn

    bezit, goed; dingetjes, voorwerpjes

    goed - goete - zn

    dingen, spullen; 'enzo'
    ("Daar was kinders, hondjies, blomme en goete..." / "Jy bring vir my blomme en jy is baie lief vir my en goete, maar ek voel niks vir jou nie.")
    Vgl.'gedoente', 'goeters'

    goeters - zn (mw. van 'goed')

    spullen, bezit
    Vgl.'gedoente', 'goed'

    goël

    goochelen

    goëlaar - zn

    goochelaar

    goëlary - zn

    goochelarij

    gogga - zn

    insect; ongedierte; computervirus, verborgen microfoontje in muur als afluisterapparatuur

    goggas - zn(mv. van voornoemde)

    beesten, beestjes (als insecten, enz.), ongedierte

    goiing - zn

    jute

    gomtor - zn

    onbeschaafd persoon

    gordel - zn

    ceintuur
    Opm.: Vaak zegt men ook 'belt'

    gou

    gauw
    ("Maak gou! Maak net gou!" = Vlug! Haast je!)

    graad - znzn.

    wetenschappelijke titel; graad

    graad vang ww.

    afstuderen, promoveren (zodat je een (nieuwe) wetenschappelijke titel hebt verworven)

    graaf - zn

    schep
    Opm.: 'skop' bestaat ook, maar is een in onbruik geraakt schepachtig stuk gereedschap met een groter blad dat niet gebruikt werd om te graven, maar om, bijvoorbeeld, graan op te gooien waarmee je het kaf van het koren kon scheiden

    gramadoelas - zn

    wildernis, zeer ver weg van de bewoonde wereld

    grap - zn

    mop, grap
    ("Ek geniet 'n grap, maar hierdie een is darem flou." = Ik houd van een mop, maar deze is echt flauw)

    grassny

    gras maaien

    grassnyer - zn

    grasmachine

    gril - ww

    rillen, walgen
    "Ek gril van rou vis" = Ek walg van rauwe vis

    grimering - zn

    make-up

    groenbone - zn

    sperziebonen

    groendakkies - zn (scherts.)

    gekkenhuis, gesticht

    groei

    (onovergankelijk) groeien; (overgankelijk) telen, verbouwen, kweken
    (Vgl. 'teel' en 'fok')

    groet

    groeten, gedag zeggen; afscheid nemen
    Opm.:Let op de betekenis 'afscheid nemen', wat in het Nederlands niet voorkomt. Als een Zuid-Afrikaan zegt "Ek groet nou vir eers", dan bedoelt hij dat hij weggaat, en niet dat hij alsnog gedag zegt."Dit is nou tyd om te groet" = "Het wordt tijd om afscheid te nemen". Maar ook zoals in het Nederlands: "Groet vir die mense" = "Zeg maar 'hallo' tegen de mensen"

    grondboontjie - zn

    pinda

    grondboontjiebotter - zn

    pindakaas

    grondpad - zn

    niet geasfalteerde weg

    grondvloer - zn

    parterre, begane grond

    gru - ww

    gruwen

    grusaam bijv.nw.

    gruwelijk

    gunsteling - zn

    favoriet (zowel zn als bn; voorv.: lievelings-)
    ("Jy is my gunsteling" = Jij bent mijn favoriet / "Dit is my gunsteling webblad / gunstelingwebblad" = Dit is mijn favoriete website / Dit is mijn lievelingswebsite)
    Opm.: Eigenlijk heeft dit woord syntactisch en semantisch helemaal de functie van het Engelse woord 'favourite' (dat zowel een zelfst. nw. als bijv. nw. kan zijn)aangenomen, met uitzondering van het feit dat 'gunsteling-' soms ook aaneengeschreven wordt met het zelfst. nw. (hier 'webblad'), waardoor het bijv. nw. 'gunsteling' een zelfst. nw. wordt. Een staaltje van anglicistische morfologische verwarring, dus: 'gunsteling webblad' = bijv. nw. + zelfst. nw. // 'gunstelingwebblad' = zelfst. nw. + zelfst. nw.)
    Zie ook bij 'hoof' en 'hoof-'

    H

     

    haakdoring - zn

    mimosasoort met haakvormige doornen (Acacia litakunensis)

    haakplek - zn

    moeilijkheid, probleem

    haakspeld - zn

    veiligheidsspeld

    haarloos

    kaal
    (vgl. 'bles' en 'kaal')

    haarsny

    (ww.) knippen, kappen; (zn.) haarsnit; knipbeurt
    ("Een haarsny kos sewentig Rand" = Een keertje knippen kost zeventig Rand)

    hakiesdraad - zn

    prikkeldraad

    halfmens - zn

    grote, dikstammige, cactusvormige doornenboom met krans van kronkelige blaren bovenaan de stammen.
    Deze boom groeit in het Namakwaland / Boesmanland: Pachypodium namaquanum (familie Apocynaceae)

    halfpad

    halverwege

    handsak

    handtas

    handuit: ~ ruk

    uit de hand lopen
    ("Die situasie het heeltemal handuit geruk.")

    hanetree(tjie) - zn

    kleine afstand; 'kippenendje'

    hang - zn

    helling (v. berg)

    hardewarewinkel - zn

    ijzerhandel

    hare sny

    haar knippen

    harsings - zn

    hersens (meestal dierenhersenen - al of niet als consumptie)

    hartebees - zn

    hartebeest (soort grote antilope, verwant aan gnoe)
    Opm.: hart- is een Nederlandse gewestelijke vorm van hert. De Boeren vergeleken het dier dus met een hert. Naast dit woord heeft in Afrika het woord hert alleen als geleerd woord voortbestaan, en is het vervangen door het woord takbok (zie aldaar), wat zich laat verklaren door het feit dat herten oorspronkelijk niet in Zuid-Afrika voorkomen.

    hartbeeshuisie - zn

    eenvoudig pioniershuisje
    Opm.: Let op het ontbreken van de koppel-e: hartebees vs. hartbees-

    hartlam - zn

    lieveling

    hartomleiding - zn

    bypass

    hartversaking - zn

    het ophouden van het functioneren van het hart

    hasielip - zn

    hazenlip

    heeltemal

    helemaal

    hegsteke - zn

    hechtingen

    hekel (spreek uit als 'hiekel')

    haken

    hekelpatroon - zn

    haakpatroon

    hekelpen

    haaknaald

    hekkiesloop

    hordenloop

    hemp - zn

    shirt, hemd, overhemd

    herd - zn

    open haard, open vuur
    (vgl. 'kaggel')

    heuning - zn

    honing

    heuwel - zn

    heuvel
    Vgl. 'koppie'

    hiëna - zn

    hyena

    hierdie

    deze, dit (vgl. verder 'daardie')

    hierlangs

    in de omgeving

    hings - zn

    hengst

    hingsel - zn

    hengsel

    hittetè

    bijna, op een haar na

    hoed - zn

    hoed, pet

    hoefyster - zn

    hoefijzer

    hoek - zn

    plek waar twee bergen samenkomen en een hoekvormige overgang vormen

    hoekom

    waarom

    hoender - zn (mv hoenders)

    kip
    Opm.: Het woord 'kip' is in het Afrikaans onbekend. Wel zegt men 'kiep-kiep' als men kippen roept. Dit doet men ook in Nederland, maar daar heeft de roepnaam tevens het oorspronkelijke zelfstandige naamwoord 'hoen' verdrongen. Denk aan de Nl. uitdrukking 'Een knuppel in het hoenderhok gooien' (waarmee een kippenhok bedoeld wordt), om herinnerd te worden aan het oorspronkelijke Nederlandse woord voor 'kip'.

    hoendervleis - zn

    kippenvlees/-vel
    "Ek het hoendervleis gekry toe ek ons pragtige volkslied in Nederland hoor sing het" = Ik kreeg kippenvel toen ik ons prachtige volkslied in Nederland hoorde zingen)

    hoërskool - zn

    middelbare school

    hoëtroustel - zn

    hifi-installatie

    hof - zn

    rechtbank

    hofsaak - zn

    rechtzaak

    hokaai! (plat; tegen dieren)

    ho maar! stop! hu!
    Vgl. 'troei', 'tru'

    hokslaan

    geweld beteugelen, onderdrukken

    hoof - zn

    chef, hoofd; (bijv. gebruikt, zoals in 'die hoofgebou' of 'hoof-bladsy') voornaamste, hoofd-

    Opm.: Net als bij het woord 'gunsteling' en 'gunsteling-' is het soms onduidelijk of 'hoof' als bijv. nw. of als zelfst. nw. gebruikt wordt omdat men het vaak niet aaneenschrijft met het zelfstandige naamwoord dat erop volgt. Ook deze verwarring heeft een anglicistische oorsprong (denk maar aan 'hoofbladsy' en 'hoof-bladsy' of 'hoof bladsy' waarbij de laatste versie een geleende morfologie uit het Engels is: 'main page' is een bijv. nw. + zelfst. nw.).
    Vgl. 'kop'

    hoofbrekings - zn

    hoofdbrekens

    horing - zn

    hoorn, gewei; mann. lid in erectie (plat)
    Vgl. 'doring'

    hotnot - zn (racistisch)

    kleurling
    Opm.: Dit woord werd oorspronkelijk gebruikt om er de inheemse Hottentotten mee aan te duiden, maar wordt nu gebruikt als schertsende term voor de Kleurlingennatie, die voortgekomen is uit vroege blanke en inheemse huwelijken en relaties
    ("Met sy kroeshare lyk jou man darem soos 'n hotnotjie" = Met zijn kroeshaar lijkt jouw man wel een kleurling)

    hotnotsgot - zn

    bidsprinkhaan
    Opm.: Dit opmerkelijke insect werd zo genoemd omdat in de vroege dagen van de Kaapse kolonisatie de inheemse Hottentotten dit dier als godheid vereerden (vervorming van hottentot + god)

    hou van

    mooi vinden; leuk vinden, houden van
    Opm.: Het werkwoord 'houden van' om iemand de liefde te verklaren kan in het Afrikaans niet met 'Ek hou van jou' uitgedrukt worden. Daar zegt men 'Ek is lief vir jou'.
    Zie verder bij lief wees vir.

    huid - zn

    gevilde dierenhuid
    Opm.: Het Nederlandse woord huid wordt in het Afrikaans doorgaans vertaald met 'vel'. Dit verschil met Nederlands komt overeen met de betekenis van de Engelse woorden hide (= Afr. 'huid') en skin (= Afr. 'vel'). Ter illustratie: kopvel en velkleur worden vertaald met 'hoofdhuid' en 'huidskleur'.
    Vgl. 'vel' en 'kopvel'

    huisie (knoffelhuisie) - zn

    teentje knoflook

    hulle, hul

    zij, hun, hen (pers.vnw, 3e pers. mv.); hun (bez.vnw.)

    hupstootjie - zn

    een duwtje in de goede richting (ook fig.)

    huurmotor - zn

    taxi
    Opm.: soms zegt men in het Afrikaans ook 'taxi' (spr. teksie), maar dit betekent vooral ook 'minibus waarin zwarte pendelaars vervoerd worden'. Deze teksies zijn berucht omdat ze vaak overvol zijn en als ongeleide projectielen de verkeersregels overtreden.

    huwelikslisentie - zn

    trouwboekje

    hysbak - zn

    lift

    hysbak ry

    in de lift zitten

    I

     

    ietermagog/-magô - zn

    schubdier

    iewers

    ergens
    Opm.: 'êrens' is gebruikelijker en drukt een minder onbereikbare plek of idee aan
    Zie ook: 'êrens'

    impak - zn

    invloed

    implementeer

    uitvoeren; ten uitvoering brengen

    indaba - zn

    beraad; probleem
    ("Ek het geen motor om my kind in te vervoer nie."
    -"Dit is jou indaba."
    = Ik heb geen auto waar ik mijn kind in kan vervoeren.
    - Dat is jouw probleem.)

    inflammasie - zn

    (long-)ontsteking

    ingee

    ingeven; kapot gaan; zwichten

    inhandig

    indienen

    inkopies - zn

    boodschappen

    inkopies doen

    winkelen, boodschappen doen

    inryteater - zn

    openluchtbioscoop (vgl. veldfliek)

    inspuiting - zn

    injectie

    intou

    inslepen (van auto)

    invoer; uitvoer

    importeren; exporteren

    ipekonders - zn

    (ingebeelde) kwaaltjes

    J

     

    ja, jaag

    zich haasten

    jaap, japie - zn (scherts.)

    Afrikaner

    jaer - zn

    coureur, renner

    jag

    jagen

    jags (plat)

    geil
    Vgl.: 'katools'

    jagter - zn

    jager

    jakkals - zn

    jakhals

    jammer: ek is ~

    het spijt mij

    jammer

    sorry, jammer

    jammer kry

    medelijden hebben met iemand

    ja-nee

    tussenwerping nou ja, eh... nou..., ach...; zeker; stopwoord of woord dat een zin aankondigt
    "Wil enigiemand 'n bietjie wyn hê?"
    -"Ja-nee, dit sal lekker wees!"

    ja-nee wat!

    een verzuchting: "ach ja..."

    janfiskaal (ook: fiskaallaksman) - zn

    klauwiersoort (Larius collaris)
    (vgl. 'laksman')

    japtrap: in 'n ~ - zn

    in een ommezientje, in een handomdraai

    Japannees - zn

    (zelfst. nw.) Japanner; Japannese = Japanners; (bijv. nw.) Japans.
    ("Ek hou baie van Japannese kos").

    jirre!

    uitroep van verbazing, verrassing: 'jeetje'. (< Here)
    Opm.: Hoewel 'jirre' zowel qua betekenis als qua vorm een ander woord dan 'Here' is, nemen veel Afrikaners aanstoot aan dit 'ydellike gebruik van die naam van God'. Maar een taal verandert, en woorden kunnen zich zodanig ontwikkelen dat ze een bijbetekenis krijgen, wat uiteindelijk leidt tot een ander woord met een andere semantiek en morfologie, naast het oorspronkelijke woord.
    (vgl. 'jitte' en 'jinne')

    jitte! / jinne!

    uitroep van verbazing, soort stopwoord (< hede)

    jô!

    uitroep van verbazing

    Jo'burg

    Johannesburg

    Joetênnedzjie (gemeenz., scherts.; nep-Engels)

    Uitenhage

    joggie - zn

    bediende (doorgaans zwart; pompjoggie = tankstationbediende)

    jol - zn(spreek uit als dzjol)

    feesten, uitgaan, 'de buurt onveilig maken', enz.
    (Vgl. 'rinkink')

    jong - zn

    gekleurde jongeman; verzuchtende aanspreekvorm voor vrienden, kennissen
    "Het jy nou ook vakansie?"
    -"Nee, ek is maar besig, jong."
    (Zie ook hieronder)

    jong - tussenw

    nou, kijk eens, enz.
    "Is daar nog kamers beskikbaar vir ons twee?"
    - "Jong, ons is volgeboek, maar die hotel langsaan het nog kamers beskikbaar."

    jool - zn

    studentenfeest

    jop - zn (mv. joppe)

    baantje (mv. baantjes)

    K

     

    kaal

    naakt
    (vgl. 'kaal', 'bles', 'bleskop' en 'haarloos')

    kaalbas

    met bloot bovenlijf

    kaalgat gemeenz.

    spiernaakt, poedelnaakt
    "By die Go-Go Lounge dans die meisies kaalgat op die tafels"

    kaalvoet

    met blote voeten

    kaalvoet klonkie - zn

    schertsende benaming voor iemand die op blote voeten rondloopt

    kaaskop / kasie - zn (scherts.)

    Nederlander

    kabeljou - zn

    zeevis (niet de Europese kabeljauw) (Argyrosomus coronus, A. inodorus en A. japonicus)
    Deze vissen zijn niet verwant aan de kabeljauw, maar eerder aan de baarzen en makrelen, tonijnen, barracuda's en cichlides (familie Perciformes; de baarsachtigen)

    kaf - zn

    onzin
    (Vgl. 'bog')

    kaggel - zn

    open haard
    (vgl. 'herd')

    kaiings - zn

    kaantjes; kiezelstenen in een 'kaiingsveld'

    kajuit - zn

    kajuit; cabine (van auto's, ruimtevaartschepen, enz.)
    Net als bij woorden als 'kooi' en 'kombuis' laat dit woord zien dat de oorsprong van het Afrikaans in de taal van de zeventiende-eeuwse zeevaarders ligt
    (vgl. 'lugwaardin')

    kajuitbeambte - zn

    steward(-ess)
    (vgl. 'lugwaardin')

    kalklig - zn

    flitslicht, voetlicht

    kameelperd - zn

    giraffe

    kameelpootboom - zn

    vlinderbloemige met tweelobbige, hart- / kameelhoefvormige blaren (fabaceae)

    kamma, kamtig, kamma-kamma, kammakastig (bijv.nw. en bijw.)

    zogenaamd (alsof)
    Vgl. 'kwansuis'.

    kameelperd - zn

    giraffe

    kamp (gaan kamp)

    kamperen`

    kankerbossie - zn

    vlinderloemig struikje (bossie) met rode bloemen (Sutherlandia frutescens)

    kanniedood - zn

    patrijsveeraloë (de zeer sterke Aloe variegata)

    kanselleer

    schrappen, annuleren

    kantgordyne - zn

    vitrage

    kaperjol - zn

    bokkensprong, capriool

    kapok - zn

    zware sneeuw
    Opm.: Net als in het Nederlands van Indonesië zegt men in Afrika 'sneeu' wanneer het natte, wat fijne sneeuw betreft, en kan men bij heftigere vlokken 'kapok' zeggen. Het woord komt uit het vroegere Maleise oedjan kapok.

    kapokaartappels - zn

    aardappelpuree

    kapsie (~ maak) - zn

    zn. bezwaar
    (~ maak = bezwaar maken)

    kar - zn

    auto (gemeenz.)

    karavaan - zn

    caravan

    karmenaadjie - zn

    vers vlees dat men elkaar cadeau doet nadat een dier geslacht is
    (vgl. 'tjops')

    karnuffel

    knuffelen
    (vgl. 'druk, drukkie')

    Karoo - zn

    droog gebied in de Kaapprovincie

    karoodroog

    erg droog

    karos - zn

    dikke deken uit dierenhuiden gemaakt
    (werd door de oorspronkelijke bewoners gedragen, maar nu als wandkleedje of vloerkleedje).

    karring

    schudden, uitvragen, (plat) onanie plegen
    (vgl. draad trek)

    karringmelk - zn

    karnemelk

    karwei - zn

    vervoeren, transporteren

    karweier - zn

    vervoersmaatschappij

    kasaterwater - zn

    flauwe thee of koffie: "slootwater"

    kaskraker - zn

    bestseller

    kastaiing - zn

    'kastanje', eig. 'Kaapse kastaiing': inheemse bomen van het geslacht Calodendrum capensis die enige gelijkenis met de Europese wilde- en paardekastanje vertonen, maar er niet aan verwant zijn

    kastig

    zogenaamd
    (zie ook bij kamma)

    kastrol - zn

    soort pan

    katjiepiering - zn

    Gardenia (>Maleis 'kacapiring')

    katkisasie - zn

    catechisatie
    ("Op Sondae word om vier uur katkisasie aangebied")

    katools

    erg lichtzinnig, erg lijp, gestoord, erg flauw; sexueel opgewonden gedrag vertonend
    Dit woord is uit vooroordelen jegens niet-Protestantse godsdiensten ontstaan uit het woord Katholiek!
    Vgl.: 'verspot', 'mallerig', 'jags'

    keelaf sny

    (iem.) de keel doorsnijden
    ("Hy het homself met 'n skeermeslemmetjie keelaf gesny")

    ken - zn

    kin

    kêrel - zn

    vriend (als in 'minnaar')

    kers - zn

    kaars

    kersie - zn

    kers

    kês

    gestremde melk (zoals het wel gebeurt in heel hete koffie), gestremd ("die melk het kês geword")
    Opm.: Dit woord komt uit de Zuid-Hollandse dialecten: vgl. Katwijks 'kaes'.

    kês gee (iemand ~)

    iemand op zijn nummer zetten (vgl. raas gee)

    ketting - zn

    ketting; keten

    kielie

    kietelen

    kiep - zn

    roepwoord voor kippen ("Kiep-kiep-kiep!")

    kiepersol - zn

    zeer wijdverbreide boom die palmachtig groeit met vertakkingen en een bolvormige kruin vormt: verwant aan de Schefflera (vingerplant), Fatsia en de Hedera (klimop): (Cussonia spicata, e.a.)

    kierie - zn

    (wandel)stok, knuppel

    kies - zn (mv.'kieste')

    wangholte
    Vgl. maaltand

    kietsie - zn

    poes

    kikoejoe - zn

    sterk, populair gazongras geschikt voor ZA: Pennisetum clandestinum

    kisklere - zn

    zondagse kleren (ouderwets begrip; de kisklere zaten in de voorkist, onder de bok van de ossenwagen)

    kitaar / ghitaar - zn

    gitaar

    kits - zn, kits- zn.

    een mum van tijd; instant-, snel klaargemaakt
    kitsnoedels = instantnoedels
    kitsgemmerbier = instantgemberbier/-ginger ale (snel zelf klaar te maken)

    kitsbank - zn

    geldautomaat

    kitsgras - zn

    kant en klare graszoden

    kitskoffie - zn

    oploskoffie
    (Opm..: thuis drinkt de Zuid-Afrikaan zelden filterkoffie zoals wij dat in Nederland en België doen. Hij drinkt de oploskoffie. Gefilterde koffie noemt hij ook filterkoffie of geperkoleerde koffie, maar die drinkt hij buiten de deur, in koffiebars of restaurants. Dit breng met zich mee dat er in Zuid-Afrika met koffie doorgaans oploskoffie bedoeld wordt. Dikwijls drinkt men de koffie slapper dan in Nederland, vaak nog romiger gemaakt met chichorei. Koffie met chichorei is poederachtig en koffie zonder chichorei meestal korrelig. Bekende oploskoffiemerken met chichorei zijn Koffiehuis en Ricoffy.
    Vgl. 'sigorei' en 'moerkoffie'.

    kitskos - zn

    kant-en-klaarmaaltijd

    kla

    klagen

    Klaas Vakie

    Klaas Vaak

    klagte - zn (mv klagtes)

    klacht

    klap (hou op of ek gaan jou klap!)

    slaan (in het gezicht, op huid)

    klapper - zn

    kokosnoot, kokos-
    uit Maleis 'kelapa'

    klasdraf

    college lopen

    klasdrafsak - zn

    rugzak voor boeken

    klaskamer - zn

    schoollokaal; collegezaal

    klavier - zn

    piano

    klawerbord - zn

    key-board

    kleefband - zn

    plakband

    kleefbroek - zn

    legging

    kleinneef - zn

    achterneef

    kleinniggie - zn

    achternichtje

    kleinspan - zn(die ~)

    kleuters

    kleintongetjie - zn

    huig

    klerasie - zn

    bedrijfskleding, gelegenheidskleding

    klip - zn

    steen(tje)
    (Zie voor uitleg van het verschil tussen de Afrikaanse woorden steen en klip bij 'steen'.

    klipdagga - zn

    grote oranje bloeiende lipbloemige uit Zuid-Afrika met verdovende werking als de stekelige, uitgebloeide bloemhoofdjes gerookt worden of er thee van getrokken wordt.
    Leonotis ocymifolia (ook L. dysophylla).

    klipperig

    steenachtig, rotsachtig

    klisklawer

    ruige rupsklaver (Medicago polymorpha)

    klits

    klutsen, mixen

    klitser - zn

    mixer

    klokkie - zn

    (voordeur-/fiets-)bel

    klomp - zn

    grote hoeveelheid
    "Ons gaan vanaand jol met 'n klomp ouens" = Wij gaan vanavond feesten met een hoop jongens

    klompie - zn

    kleine hoeveelheid

    klong - zn

    jong kleurling-jongetje (>kleurjong)

    klonkie - zn

    ventje

    klop

    kloppen, verslaan (= winnen)

    kloutjie - zn

    hoefnageltje, hoefje; levend steentje (plant Lithops)

    knelter, kniehalter ww.

    (ww.) kniehalteren; iem. of iets in zijn bewegingsvrijheid beperken, iem. dwarszitten, tegenhouden
    "Die Amerikaanse sokkerspan was nogal gekniehalter deur die Spanjaarde se oorentoesiastiese aanvalle" = Het Amerikaanse voetbalteam werd erg dwarsgezeten door de overenthousiaste aanvallen van de Spanjaarden

    kners

    knarsen

    kniediepvoordag

    in alle vroegte; bij het krieken van de dag
    (vgl. 'douvoordag')

    knoffel - zn

    knoflook

    knoffelhuisie - zn

    teentje knoflook

    knypie - zn

    ('n ~ sout) snuifje (zout)

    koeël - zn

    kogel

    koei - zn

    vrouwelijke koe
    Opm.: De soortnaam voor de koe is in het Afrikaans bees.

    koejawel - zn

    guave (tropische vrucht)

    koek - zn

    koek, cake, gebakje

    koek - zn (plat)

    vrouwelijk geslachtsorgaan; onderdeel van uitroepen van lichte schrik (tussenw.)
    "Oh koek, ek het hom laat val!" = Oh jee / oei, ik heb het laten vallen!

    koekie - zn

    conservatief meisje

    koekie seep - zn

    stuk zeep

    koekmeel - zn

    meel

    koeksisters - zn

    gevlochten vetkoek, doordrenkt in lichte suikerstroop

    koeksoda - zn

    sodium biocarbonaat

    koeldrank - zn

    frisdrank

    koerant - zn

    krant

    koes ww.

    wegbukken, bukkend ineenduiken om niet geraakt te worden
    "Moenie koes nie! Ek is ongevaarlik"

    koevert - zn

    enveloppe

    koffietafel - zn

    salontafel

    koggel

    plagen door iemand na te apen.
    Vgl. 'nadoen' en 'na-aap'

    koggelmander - zn

    soort agame (hagedissoort) met felblauwe kop (Acanthocercus atricollis)

    kokerboom - zn

    reusachtige aloësoort uit Richtersveld-streek (Aloe dichotoma) waar de inheemse Khoi-Sanbevolking pijlkokers van maken

    kokkedoor - zn

    hotemetoot, bobo

    kokkerot - zn

    kakkerlak

    kokkewiet - zn

    vogelsoort (koekkoekachtige)

    kol - zn

    middelpunt van een schijf; stip, ronde vlek; kol (op paardenhoofd); stukje land

    kolf - zn

    slaghout (zoals bij cricket)
    Vgl. 'mieliestronk'

    kolfbeurt - zn

    slagbeurt: de tijd waarin een cricketploeg mag slaan

    koljander - zn

    koriander
    Uitdr.: "Dit is vinkel en koljander" = die twee mensen, zaken, zijn hetzelfde

    kollig - zn

    schijnwerper, voetlicht (< Eng. 'spotlight')

    kolwyntjiepan - zn

    bakplaat met kuiltjes (soort poffertjespan)

    kombers - zn (spr.: 'kombèrs')

    deken

    kombuis - zn

    keuken

    kombuistee - zn

    feestje voor a.s. bruid

    kompakskyf - zn

    compact disc

    konfyt - zn

    jam

    konka - zn

    (olie-)drom

    konkoksie - zn

    brouwsel

    konsert - zn

    muziekuitvoering, toneeluitvoering, concert

    konsertina - zn

    concertina (kleine trekharmonica)

    konsertinabos - zn

    Type inheemse vetplant die op een concertina lijkt. (Crassula marnieriana en C. hottentotta)

    kontrapsie - zn

    in elkaar geflanst maaksel, brouwsel

    kooi - zn

    (ietwat grof) bed, 'nest'; kooi.
    ("Nou, snuiter kooi toe!" = Nou knul, ga naar je nest!)

    koorspen - zn

    koortsthermometer

    kop - zn

    hoofd
    Opm.: kop is het gebruikelijke woord voor het Nl. 'hoofd'. In overdrachtelijke betekenis moet men het Nederlandse hoofd met 'hoof' vertalen: "Die hoof van die skool, kerk, regering". Hoof wordt ook gebruikt, maar wordt als deftiger dan kop gezien: "En die soldate het 'n kroon van dorings gevleg en dit op sy hoof gesit"
    Bij gebruik van uit het Nederlands afkomstige spreekwoorden, gezegden en vaste uitdrukkingen is het woord alledaags:
    Die hoof buig, skud; gawes van hoof en hart; iets uit jou hoof leer; 'n knap, helder hoof; vit sy misdaad het hy met sy hoof geboet.
    Vgl. 'hoof'

    kop uittrek

    terugkrabbelen

    kophou

    het hoofd koelhouden

    kopkrap

    hoofdbrekens hebben

    kopkool - zn

    kool (rode of witte)

    koppelaar - zn

    koppeling (autotechniek)

    koppie - zn

    kop(-je); rond, solitair heuveltje; kopje (inhoudsmaat)

    kopseer - zn

    hoofdpijn
    (ook 'hoofpyn')

    kopvel - zn

    hoofdhuid

    koring - zn

    koren (zelfst. nw.)

    korrelkop - zn

    brompot, mopperaar

    kortliks

    kort, in het kort
    ("Ek sal die onderwerp vanaand net kortliks bespreek" = Ik zal het onderwerp vanavond alleen maar kort bespreken)

    kos - zn

    eten
    Opm.: ´kos´ is ´eten´ in de betekenis van ´voedsel´ en niet van ´maaltyd´. Zie daarvoor ´ete´.

    kos

    kosten (ww.)

    koshuis - zn

    tehuis voor schoolgaande kinderen

    kosmaak / kook

    koken

    kostkerwer - zn

    kostenbesparend artikel

    kostuum - zn

    historisch kostuum; ook: deftig damesmantelpakje
    Opm.: In de omgangstaal kent men het aan het Engels ontleende woord costume dat als 'kôstjem' wordt uitgesproken. Dit betekent echter 'badpak'

    kotelette - zn

    speklappen

    kou - zn

    kooi
    Opm.: vogelkooien worden vaker 'hok' genoemd dan 'kou'.

    koue - zn

    kou(de)

    kraamrok - zn

    positiejurk

    krag - zn

    stroom (electriciteit); kracht, sterkte

    kragprop - zn

    stekker

    kragsentrale - zn

    electriciteitscentrale

    krammasjien - zn

    nietmachine

    krammetjie - zn

    nietje

    krans - zn

    steile rotswand aan top van berg

    kreef - zn (mv.) krewe

    kreeft, mv. kreeften

    kreukelvry

    kreukvrij

    kriek - zn

    krekel

    krieket - zn

    cricket

    krimpvark(-ie) - zn

    egel (Vgl. 'ystervark')

    kroeg - zn

    bar (Vgl. 'kafee')

    kruie - zn

    kruiden (alleen in mv. bestaand)

    kuier - zn

    bezoeken; logeren

    kuiergaste - zn

    gasten; logés

    kuiermense - zn

    gasten; logés

    kuierplek - zn

    vakantieplekje

    kul

    foppen

    kunstande - zn

    kunstgebit

    kunstenaar - zn

    artiest, kunstenaar
    ("by die North Sea Jazz Festival tree kunstenaars soos Joe Zawinul, Herbie Hancock, Joss Stone en Hugh Masakela op"). Zie verder bij 'arties'.

    kussing - zn

    kussen (zelfst. nw.)

    kwaad

    kwaad
    (vgl. 'kwaai', 'vies', 'boos').

    kwaai

    slecht, erg, fel
    ("Dit hael kwaai vandag" = "Vandaag hagelt het hard" / "Ek vererg my nou kwaai" = "Ik zit me ontzettend te ergeren")
    Vgl. 'kwaad, 'boos', 'vies')

    kwagga - zn

    zebra

    kwansuis

    quasi, alsof
    ("My seun het vanoggend kwansuis skool toe gegaan, maar ek weet dat hy stokkiesdraai." = "mijn zoon ging vanochtend zogenaamd naar school, maar ik weet dat hij spijbelt." / "In Brussel kan die mense kwansuis nie Nederlands praat nie; wel, dis bog" = "In Brussel doen de mensen alsof ze geen Nederlands kunnen praten; nou, dat is dus onzin.")
    Vgl. 'kamma'

    kweek - zn

    kweekgras (hardnekkig, inheems gras)

    kwêla

    mee gaan dansen

    kweper - zn

    kweepeer

    kwêvoël - zn

    vogelsoort (koekkoekachtige)

    L

     

    laatlam(metjie) - zn

    nakomertje

    laerskool - zn

    basisschool

    Laeveld - zn

    deel van Oost-Transvaal

    laf

    flauw, ongezouten
    ("Daardie Amerikaanse film is vol van lawwe grappe" / "Jy haal lawwe, ou argumente op.")
    Vgl. 'flou'.

    laksman - zn

    Zuid-Afrikaanse klauwiersoort (Lanius collaris)
    Vgl. 'janfiskaal'

    landbou-hoewe - zn

    huis met groot stuk grond buiten de stad; ook: plot

    langarm - zn

    Afrikaner manier van vrij, maar stijlvol dansen met elkaars armen gestrekt tegen elkaar, als bij walsen

    langs

    langs, naast
    "Kom sit langs my, asseblief" = "Kom eens naast me zitten"
    Vgl. 'naas'

    langsaan

    ernaast (bij buren), in de buurt ("Die huis langsaan")

    lanklaas

    lang geleden (ek het hom lanklaas gesien)

    lapa - zn

    groot rieten afdak
    Tegenwoordig vooral te vinden in tuinen, bij vakantiehuizen, in wildsplase / game lodges: het is een een grote strooien luifel die als barbecuehuisje of openluchtfeestruimte dient

    lappie - zn

    lapje; vaatdoek

    Lappies

    bijnaam voor mensen met de achternaam Labuschagne

    lappieskombers - zn

    lappedeken

    laslappie - zn

    patchwork

    leer - zn

    le(d)er; (trap-)leer

    leër - zn

    landmacht, legereenheid

    lêer - zn

    map, dossier; bestand

    leerder, leerling - zn

    leerling

    leisels, teuels - zn

    teugels

    lekkergoed - zn

    snoepgoed

    lekkerkry

    leedvermaak hebben

    lem - zn

    lemmet

    lemmetjie - zn

    limoen
    Vgl. 'lemoen', 'suurlemoen'

    lemoen - zn

    sinaasappel
    Vgl. 'lemmetjie', 'suurlemoen'

    leraar, dominee - zn

    dominee

    lessenaar - zn

    bureau, lessenaar

    leuen - zn

    leugen

    liasseer

    opbergen

    liasseerkabinet - zn

    archiefkast

    liefie (my liefie) - zn

    vriendin (mijn vriendin)

    liefling - zn

    lieveling, favoriet

    liefs nie

    liever niet

    lief wees vir

    houden van
    ("Ek is lief vir jou" = Ik hou van jou)
    Opm.: Het Nederlandse "Ik hou van jou" klinkt in het Afrikaans heel wat minder echt. Daar betekent 'Ek hou van jou' "Ik vind je aardig". Net als het Nederlandse "Ik houd van bloemen" of "Ik houd van boerenkool".
    (Vgl. 'hou van')

    liewer(s)

    eerder, bij voorkeur

    likkewaan - zn

    leguaan (grote hagedisachtige)

    lisensie - zn

    vergunning

    loerie - zn

    lori (vaak kleurrijke koekkoekachtigen met kuif, die tot geslachten als Tauraco en Corythaixoides behoren)

    loesing (loesing kry / gee) - zn

    afranseling

    lokasie - zn

    township

    lol

    pesten, plagen, sollen, tegenslag geven
    ("Naas Botha is 'n sterk man met wie daar nie sommer gelol moet word nie" = Naas Botha is een sterke man die niet met zich laat sollen." / Lollery = plagerij / "Kwaai ryp lol landbou" = "Strenge vorst plaagt de landbouw").
    Vgl. 'terg', 'pla', 'neul'.

    loods

    organiseren

    loodskomitee - zn

    organiserend comité

    looi ww.

    iem. ervan langs geven, iem. aanpakken (ook figuurlijk)
    "Die Nederlandse sokkerspan het die Engelse sokkerspan gelooi" = De Nederlandse voetbalploeg heeft de Engelse voetbalploeg ervan langs gegeven
    "Mugabe looi Britse regering oor imperialistiese gedrag" = Mugabe pakt Britse regering aan vanwege haar imperialistische gedrag

    lorrie - zn

    vrachtauto

    los bijv. nw.

    los

    los ww.

    loslaten, laten, achterlaten, laten gaan, iemand verlaten; je handen ergens vanaf trekken, iets voor gezien houden, iets niet (meer) doen, iets opgeven

    Opm.: 'los' wordt in het Afrikaans veel meer gebruikt dan het equivalent 'lossen' in het Nederlands. De betekenis van het woord is namelijk danig uitgebreid. Bijvoorbeeld:
    "Nee, toe los ek dit maar." = Nee, toen trok ik mijn handen ervan af; Nee, toen liet ik het maar voor wat het was
    "Los dit!" = Blijf af! / Laat dat!
    "Jy het my gelos!" = Je hebt mij verlaten!
    "Los die sonde en jy sal 'n beter christen wees" = Zondig niet meer en je zult een beter christen zijn
    "Ek los my vrou by die huis" = Ik laat mijn vrouw thuis
    "Los maar 'n boodskap op die voicemail" = Laat maar een bericht achter op de voicemail
    "Los die baadjie maar daar" = Laat het jasje maar daar

    Het ziet ernaar uit dat het werkwoord los de betekenissen van het Engelse werkwoord to leave heeft aangenomen, als het zowel 'loslaten' als 'verlaten, achterlaten' betekent. De betekenissen 'iets niet (meer) doen' en 'iets voor gezien houden' stroken hier echter niet meer mee en lijken Zuid-Afrikaanse innovaties.
    Vgl. 'uitlos'

    losieshuis - zn

    pension, kosthuis

    loslittig

    lenig
    Opm.: Het woord 'lenig' bestaat wel in het Afrikaans - met dezelfde betekenissen als in het Nederlands - maar is ongebruikelijk en deftig.

    lugbesoedeling - zn

    luchtverontreiniging

    lugdiens - zn

    luchtvaartmaatschappij

    lughawe - zn

    vliegveld

    lugredery - zn

    luchtvaartmaatschappij

    lugreëling - zn

    airconditioning

    lugwaardin - zn

    stewardess

    luislang - zn

    boa, python; generische naam voor wurgslang

    lukwart - zn

    struik met zure vruchten met grote pit: loquat, Japanse mispel, neffel
    (Eriobotrya japonica)

    M

     

    maag - zn

    maag, buik
    Opm.: In het Afrikaans gebruikt men vaak 'maag' waar het Nederlands buik zou gebruiken.
    "Ek doen oefeninge vir 'n plat maag" = "Ik doe oefeningen voor een platte buik."

    maagwerking - zn

    diarree

    maaiers - zn

    maden

    maak ww.

    doen
    'Wat maak jy?' = Wat ben je aan het doen?

    maak - zn

    merk
    motormaak = automerk / "Watter maak is die mees gebruikers vriendelik?" = Welk merk is het meest gebruikersvriendelijk?

    maaltand - zn

    kies
    Vgl. 'kies'

    maalvleis - zn

    gehakt

    maanhaar / maanhare - zn

    manen (lange haren in de nek van een mannetjesleeuw of paard)

    maer

    mager

    maermaakpille - zn

    vermageringskuur

    maermerrie - zn

    scheenbeen

    magtag!

    jeetje!

    makietie - zn

    feestje

    maklik

    (ge-)makkelijk, niet moeilijk
    Vgl. gemaklik, gerief

    mal

    gek, gestoord
    Opm.:mal klinkt in het Nederlands nogal speels en vrouwelijk, maar in het Afrikaans heeft het een echt negatieve betekenis, te vergelijken met de betekenis van 'gek' van het Engelse woord mad.

    malhuis - zn

    gekkenhuis
    Vgl. 'groendakkies'

    mallerig

    melig, gekkig, flauw
    Vgl. 'verspot', 'katools'

    malva - zn

    Geranium (Pelargonium spp.)

    malvalekkers - zn

    marshmallows

    mampoer - zn

    zeer sterke vruchtenbrandewijn, vooral gestookt in de Transvaal, met een alcoholpercentage van rond de 64%

    manewales - zn

    kuren, grillen, capriolen

    mangels - zn

    amandelen (tonsillen)
    Opm.: Ook het woord 'amandel' kent men in het Afrikaans, maar dit is de boom en de steenvrucht waarvan de pit eetbaar is als noot (Prunus dulcis).

    mannekyn - zn

    mannequin

    mannetjiekat - zn

    kater (van een kat)

    mannetjieleeu - zn

    mannetjesleeuw

    mansbaadjie - zn

    colbert

    mansklerewinkel - zn

    herenmodezaak

    mansuitruster - zn

    herenmodezaak

    maplotter - zn

    bewoner van een plot (plot is een stuk land om een huis op te bouwen)

    Matie - zn

    student van de Universiteit Stellenbosch

    Matieland - zn

    de campus van de Universiteit Stellenbosch

    matriek, matrikulasie - zn

    schooldiploma (vergelijkbaar met VWO-diploma)

    matrieks - zn

    laatste-jaarsstudenten

    matrikuleer

    het matriekdiploma behalen

    matrone - zn

    hoofdzuster

    mat - zn

    vloerkleed, tapijt

    meelblom - zn

    bloem (kookwaar)

    meenthuis - zn

    alg. bungalowachtig huis (townhouse), luxe 'dupleks'

    meisieskool - zn

    meisjesschool

    melkbos - zn

    wolfsmelksoort (struikachtige soorten van de geslachten Euphorbia en Asclepias)

    melkskommel - zn

    milkshake

    melktert - zn

    taart van melkvulsel

    mengsel - zn

    mengsel; (medisch, giftig) drankje; mix (bakmix, kookmix, enz)
    "Drink nou jou medisynemengsel en jy sal gou beter voel"

    mens - zn

    mens; men; iemand
    Opm.: Let vooral op het bijzondere gebruik van dit woord in de betekenis van het Nederlandse 'men':
    "'n Mens kan jou maklik misgis as jy moeg is" = "Men kan zich makkelijk vergissen als men moe is."
    'n Mens wordt dus in de zin vervolgd met de jy-vorm. Het woord 'men' kent men niet in het Afrikaans. Gebruik dus altijd ''n mens'.

    mensig (hoor)! tussenw.

    mijn hemel!, jeetje!

    merk (boeke)

    nakijken; corrigeren

    meul - zn

    molen

    middagete - zn

    lunch

    middelmannetjie - zn

    strookje gras op ongeasfalteerde weg op de plek waar de wielen niet de grond raken: middenbermpje

    mielie, mielies - zn

    maïs

    mieliemeel - zn

    maïsmeel

    mielie-oes - zn

    maïsoogst

    mieliepap - zn

    maïspap

    mieliestronk - zn

    maïskolf
    Vgl. 'kolf'

    mierkat / meerkat - zn

    stokstaartje (Z.A. mungoachtige: Suricata suricatta)

    mikrogolfoond - zn

    magnetron

    mis - zn

    mest (zelfst. nw.); mis (bijw.)

    jou misgis

    zich vergissen

    misoes - zn

    misoogst

    modeparade - zn

    modeshow

    moedverloor

    wanhopig

    moeg

    moe (moeë, moeër; moeste)

    moenie

    niet...! (niet aanraken! = moenie daaraan vat nie!)

    moer - zn

    droesem; moer; moeder, baarmoeder, pootaardappel

    moer!

    uitroep van bewondering, verbazing (dikw. 'moerrrrr')

    moerkoffie - zn

    koffie toebroek (met de prut er nog onderin)

    moffie (neerh.) - zn

    poot, flikker, homo

    moffieslaan

    potenrammen

    moltrein - zn

    metro

    mond - zn

    mond, monding (v. rivier)

    mondering - zn

    uitrusting, uniform

    môre, more

    morgen

    moroeti - zn

    predikant, zendeling

    mors - ww.

    morsen, verspillen; met iemand ~= met iemand sollen
    Opm.: In het Afrikaans komt 'mors' veel vaker voor omdat het 'verspillen' is. Geld en tijd morst iemand als hij het aan iets onwaardevols besteedt of als hij er te kwistig mee omgaat. Waarschijnlijk heeft de betekenis 'met iemand sollen' in de zegswijze om met iemand te mors onder invloed van het Engels zijn beslag gekregen (vgl. "Don't mess with me!").
    Vgl. 'gemors'

    morsjors - zn

    knoeipot

    mos

    immers, zoals je weet, toch, dan ook, nou eenmaal, inderdaad; mos (zelfst.nw.)
    "Mense verskil mos maar"= Mensen verschillen nou eenmaal
    "Jy weet mos ek hou nie van sterk gegeurde kos nie, so hoekom kook jy kerrie kos vir my?" = Je weet toch dat ik niet van sterk gekruid eten houd, dus waarom kook je kerrie voor mij?
    "Katte dink mos altyd hulle is die baas van die huis" = Katten denken immers/toch/inderdaad altijd dat zij de baas in huis zijn

    mossie - zn

    mus

    motor(kar) - zn

    auto

    motorfiets - zn

    motor

    motorhawe - zn

    garage (reparaties)

    motorhuis - zn

    garage (bij het huis)

    motoris - zn

    automobilist

    muf

    beschimmeld; (zelfst. nw.) schimmel

    muf ww.

    beschimmelen, schimmelen
    ("Nee, ek hou nie van kaas wat gemuf het nie. Los maar die Roquefort en Danish Blue.")

    muggie / muggies - zn

    knut, knutje / knutten, knutjes
    Opm.: 'Muggies zijn geen echte muggen, maar knutten; dit zijn veel kleinere insecten die niet steken, maar bijten. Ze brengen ziekten over, zoals blauwtong (Culicoides spp.). Wat mug is in het Nederlands, is 'muskiet' in het Afrikaans.
    "Muggies veroorsaak bloutong by skape." = "Knutjes veroorzaken blauwtong bij schapen."
    Vgl. 'muskiet'

    munisipaliteit

    gemeente (=municipality)

    murasie

    vervallen gebouw; ruïne

    murg

    merg

    murgpampoentjie

    courgette

    murgpeer

    avocado

    mus

    muts

    muskiet

    mug
    Vgl. muggie / muggies

    muurpapier

    behang

    muurprop

    stekker (stopcontact)

    muwwerig

    muf, schimmelig
    Vgl. 'muf'

    my maggies!

    uitroep van verbazing
    Vgl. 'mensig'

    my wêreld!

    uitroep van verbazing
    Vgl. 'mensig'

    N

     

    na

    dichtbij (na aan mekaar wees = dicht bij elkaar zijn/liefhebben)

    na-aap

    na-apen, imiteren.
    "Hy mag dalk goed klavier speel, maar ek merk die heeltyd dat hy net ander klavierspelers na-aap." = "Hij zal wel goed piano kunnen spelen, maar ik merk dat hij alleen maar andere pianisten imiteert"). Vgl. 'koggel en ' nadoen'

    naai

    naaien; (plat) geslachtsgemeenschap hebben

    naaldekoker

    libelle; waterjuffer

    naaldwerk doen

    naaien

    naand / naandsê

    goedenavond

    naartjie (ook: nartjie)

    mandarijn

    naas

    naast (behalve)
    ("Naas 'papier' sê die Kapenaar soms ook 'pampier' in Afrikaans.")

    naby

    dichtbij
    ("Naby Cradock lê die dorpie Kookhuis.")

    nadoen

    nadoen (in de zin van iets in navolging van een ander doen; dus niet in de zin van 'na-apen' of 'imiteren'; zie daarvoor 'koggel' en 'na-aap').
    ("Jou doring. Daar is niemand wat jou kan nadoen nie." = "Je bent een kei. Er is niemand die jou (dit) kan nadoen.")

    nael

    nagel

    naeltjies

    kruidnagelen

    nagereg

    dessert, toetje

    Nagmaal

    Heilige Avondmaal

    narsing

    narcis

    nartjie (ook: naartjie)

    mandarijn

    nasionale pad

    autosnelweg

    naskeermiddel

    aftershave

    navorsing

    wetenschappelijk onderzoek

    navrae

    informatie; inlichtingen

    naweek

    weekend

    nee dankie

    liever niet

    nee wat

    nee hoor (minder sterk dan 'ag nee')

    neffens

    naast (zie verder; langs)

    nè? tussenw.

    hè?, nietwaar? toch?
    "Dit is stormagtig in Port Elizabeth. Dié stad word "The Windy City" genoem. Toepaslik, nè?"
    "Wonderlik. Egte sjampanje, dankie! Jy het geweet dat ek van vonkelwyn hou, nè?""

    nek

    nek, bergpas

    nes

    (zn.) nest; (bijw.) net als (samentrekking van 'net soos
    Vgl. 'soos'

    nesskop

    nestelen

    net bw.

    slechts, alleen maar
    Vgl.: 'net-net'

    netbal bw.

    basketbal

    netjies

    netjes

    net-net, amper nie

    amper

    netnou

    zojuist, zo meteen

    neuk

    slaan, beuken
    Vgl. 'fok', 'naai'.

    neul

    zeuren

    neut

    noot
    Vgl. 'dop')

    nikswerd

    nutteloos
    ("Hy is 'n nikswerd vent")

    noem-noem

    doornenstruikje uit de Karoo met besjes die, als je erop kauwt, net kauwgom zijn:
    Carissa bispinosa en C. haematocarpa

    noenmaal

    middagmaal

    nog

    nog; meer; ooit; woord dat in combinatie met 'altyd' een versterking teweegbrengt
    'Die beste potjiekos nog!' = de beste potjiekos ooit!
    "Wil jy nog koeldrank hê?"= Wil jij meer frisdrank?
    'Die reis wat jy nog altyd wou maak' = De reis waar je altijd van gedroomd had om die te maken
    "My hand-oog-koördinasie was maar nog altyd tog so flippen sleg!" = Mijn hand-oogcoördinatie is eigenlijk altijd zo verdomd slecht geweest!
    Vgl.: 'steeds'

    nooddienste

    reddingswerkers, reddingseenheden

    noodhulp

    eerste hulp

    noodpersoneel

    eerste-hulpverleners

    nooi

    (ouder) meisje; vriendin (als in 'mijn vriendin'; minnares)

    nooi ww.

    uitnodigen

    nooiensvan

    meisjesnaam

    nommer

    nummer

    nota

    briefje

    nouliks

    nauwelijks

    nuut (predicatief bijv.nw), nuwe (attributief bijv.nw.)

    nieuw, nieuwe

    nywerheid

    industrie

    O

     

    oes

    oogst zn.; oogsten ww.

    ogies!

    oproep tot tafelgebed: "Eerbiedig!" zegt men in Nederland

    ogies maak ww.

    flirtend oogcontact maken

    ogiesdraad

    kippengaas
    Vgl. 'sifdraad'

    okkasie

    gelegenheid

    okkerneut

    walnoot

    olienhoutboom

    olijfboom
    (>dial. Ned. 'olievenhout')

    olierig

    vet (van haren, huid, afscheiding)

    olik

    misselijk, naar, ziek
    Vgl. 'oulik' en 'aardig'

    omgee, omgee vir

    geven om, je betrokken voelen bij; bezwaar hebben
    ("Gee jy 'n donner om vir jou vriende?!" = Kunnen jouw vrienden je eigenlijk een donder schelen?! / "Ek gee om vir die armes in ons gemeenskap." = Ik geef om de armen in onze samenleving. / "Gee jy om as ek rook?" / Heb je er bezwaar tegen als ik rook?)

    omgekrap

    ongelukkig (in de zin van 'ongelukkig zijn met een situatie), verward

    omgewing

    omgeving, milieu

    omgewings- (omgewingsbewaring, omgewingsbesoedeling, ens.)

    milieu- (omgewingsbewaring = milieubescherming, omgewingsbesoedeling = milieuvervuiling / -verontreiniging)
    Vgl. 'besoedeling'

    ompad

    wegomlegging

    omgewingsbewaring

    milieubescherming
    Vgl. 'bewaringsbewus')

    ompad

    wegomlegging, omweg

    omtrent

    over, aangaande - voorz.; ongeveer, zowat - bijw.
    Opm.: In de betekenis 'over' komt men het voorzetsel omtrent veelvuldig tegen: "Wat sê die Bybel omtrent dinosaurusse?"
    Nog vaker komt men het tegen als bijwoord in de betekenis van 'ongeveer': "Hierdie griep duur omtrent twee weke." In de betekenis 'zowat' moet men het in de spreektaal zoeken: "Sy woorde raak my omtrent nooit nie; dit voel asof hy my nie ernstig neem nie" = "Zijn woorden doen mij zowat nooit iets; het voelt alsof hij mij niet serieus neemt"

    onderdakparkering

    parkeergarage

    onderwyser

    leraar, onderwijzer

    ongemaklik

    niet naar je zin hebbend, je niet optimaal voelend

    ongeskik

    ongemanierd, onvriendelijk

    onnutsig

    ondeugend

    onthaal

    officiële ontvangst

    onthou

    zich herinneren

    ontvangsdame

    receptioniste

    onvanpas

    ongepast

    ooghoogteoond

    ingebouwde oven op ooghoogte

    ooievaarspartytjie

    feestje voor aaanstaande moeder

    oond

    oven

    oopkop

    recht-voor-z'n-raap

    oopplankkombuis

    open keuken

    oopsluit

    openen

    oor

    (voorz.) over; (zelfs. nw.) oor; "iemand ore aansit" = iemand overtreffen, overtroeven, iemand de baas zijn

    oorgee

    overgeven, braken (vgl. vomeer, vermeer)

    jou oorgee

    zich overgeven

    oorkant

    de overkant; aan de overkant
    ("Oorkant die rivier" = Aan de overkant van de rivier.)
    (Vgl. 'anderkant', 'duskant')

    oorklim

    overstappen

    oorkrabbetjie, oorkrawwetjie

    oorbel

    oorskietkos

    kliekje

    oortreksel

    hoes

    oortrektrui

    sweater

    oortrommel

    trommelvlies; ook oordrom

    opdraand, opdraande

    zn.opgaande helling; bijw. bergopwaarts
    (vgl. 'afdraand(e)')

    opelyf

    stoelgang, ontlasting

    ophaal

    oprakelen, omhooghalen, weer opvissen, aan de vergetelheid ontrukken ("Wie ou probleme bly ophaal, grawe ou koeie uit die sloot" / "Archimedes het gewys hoe 'n mens water kan ophaal" / "Met hierdie pomp haal ons water op" / "Tydens hierdie terapie moet jy jou slegte herinnerings ophaal."). Vgl. 'skouers ophaal' en 'oplaai'.

    op hitte

    loops

    opdok

    dokken (met geld over de brug komen), er financieel voor opdraaien, betalen (dit woord is niet zo gemeenzaam als het lijkt; het is een normaal woord dat ook in serieuze zaken gebruikt kan worden: "Jy sal self vir die dienste moet opdok").
    Vgl. 'skuld' en 'delg'

    opdonner/opdonder (plat)

    in elkaar slaan

    opfok (plat)

    in elkaar slaan

    opklim

    opklimmen; instappen (bus/trein)

    oplaai

    ophalen, uploaden ("My kêrel kom my nou-nou oplaai" = "mijn vriend komt mij straks ophalen" / "Nou kan julle hierdie foto's oplaai" = "nu kunnen jullie deze foto's uploaden). Vgl. 'ophaal', 'afhaal'.

    opskud

    opschieten

    optel

    optillen / oppikken/-pakken; optellen

    optelhond

    zwerfhond

    optelkind

    vondeling

    opwas

    afwas

    opwasmiddel

    afwasmiddel

    opwen

    zich ergens over opwinden, irriteren
    ("Hierdie rommel wen my op" = Ik wind me op over deze rommel / "Moenie paniekerig raak en jouself daaroor opwen nie" = Raak niet in paniek en wind je er niet over op / "Dit is 'n opwen-radio" = Dit is een opwindbare radio)

    ordentlik

    netjes, fatsoenlijk, schoon

    Orie-Oetan

    angstaanjagende fabelfiguur (volkskundig)

    orrel

    orgel

    orrelis

    organist

    ou (bijv.nw.)

    oud, beste; lief, aandoenlijk (ou Karel = goeie ouwe Karel)

    ou (mv. ouens) (zelfst.nw.)

    jongen; kameraad

    oudtyds

    ouderwets; zoals vroeger

    ouetehuis

    bejaardenhuis

    oujongkêrel

    vrijgezel

    oujongnooi

    oude vrijster

    oukersaand

    avond voor kerst

    oulaas (vir oulaas)

    nog een keertje zoals toen

    oulap

    dubbeltje (ouderwets)

    oulik

    leuk ('leuk' bestaat eig. niet in Afr.)
    (Vgl. 'olik')o

    ouma

    oma

    oumagrootjie

    overgrootmoeder

    oupa

    opa

    oupagrootjie

    overgrootvader

    outjie

    jongetje

    owerheid

    overheid

    P

     

    paaiboelie

    schrikbeeld, boeman; lelijke persoon

    paadjie

    paadje, weggetje; scheiding in het haar

    paaiement

    gedeelte van afbetaling

    pad

    weg (mv. paaie)

    padda

    kikker

    paddavoete

    zwemvliezen

    padgee

    voorrang verlenen, uit de weg gaan

    padkaart

    wegenkaart

    padkafee

    wegrestaurant

    padkos

    eten voor onderweg

    padteken

    verkeersbord

    padvark

    wegpiraat

    padvervoer

    wegtransport

    padwerke voor!

    werk in uitvoering!

    pamperlang

    vleien; flikflooien

    pampoen

    pompoen

    pampoenkop

    domkop

    pampoentjies

    bof (ziekte)

    paneel

    panel (Eng.)

    paneelbespreking

    forumdiscussie

    paneelbord

    dashboard

    paneelklopper

    iemand die auto's uitdeukt

    pap

    slap; plat (van banden)

    pap band/ pap wiel

    lekke band

    papbroek

    bangerik, lafaard, slappeling

    papie
    dierkunde

    pop, cocon

    papnat

    kletsnat (vgl. sopnat)

    parmantig

    brutaal, ondeugend (vgl. astrant)

    pars ww.

    persen (alléén van druiven); strijken met een strijkijzer
    (Vgl. 'pers')

    pars zn.

    druivenpers
    Zie verder bij 'pers'

    party

    (telw.) sommige; (zelfst. nw) partij
    ("Party mense is te vet" = "Sommige mensen zijn te dik").

    partykeer

    soms

    partytjie

    feestje

    pasella

    iets extra op de koop toekrijgen/geven

    paslaken

    hoeslaken

    pasoppens (in sy - wees)

    op zijn hoede zijn

    paspoortbeheer

    paspoortcontrole

    pastei

    'pie' (soort pastei; ragoût in bladerdeeg; "vat jou paai en waai!"))

    patat / pataat

    zoete aardappel, yamwortelachtige, Discorea (verwant aan de haagwinde (Convolvulaceae); domkop

    pendelaar

    forens

    penorent

    rechtop, kaarsrecht

    per ongeluk

    per ongeluk, abusievelijk

    perd

    paard, kerel

    perdeby

    horzel

    perdejoggie

    jockey

    perdetelery

    paardenfokkerij

    perdfris

    uitgerust, fris

    pêrel

    parel
    (vgl. 'Paarl')

    perlemoen, perlemoer

    Zeeoor: erg gewild zeeweekdier van het geslacht Haliotis met grote, opvallende schelp; parelmoer (het glanzende bekleedsel van schelpen van weekdieren zoals de oester en de nautilus
    De perlemoen, of zeeoor, is een lekkernij die vaak het slachtoffer is van stropers. De oorvormige schelp van het dier kenmerkt zich door de gaten in de schelp, waardoor het dier ademt. Het dier leeft op rotsen.

    permit

    vergunning

    pers ww.

    persen (alle vruchten, behalve druiven; vgl. 'pars' [zie aldaar])

    pers bn.

    paars

    pers zn.

    pers (media)

    perske

    perzik

    petalje

    spektakel

    petrol

    benzine (klemtoon op pet-)

    petrolstasie

    benzinestation

    peuselhappie

    snack

    peuter

    rommelen, saboteren

    piekel

    sjouwen, met moeite vervoeren / lopen
    (vgl. 'aanpiekel'

    pienk

    roze

    piering

    schotel (kop en - )

    piesang

    banaan

    pietersielie

    peterselie

    Piet-my-vrou

    vogelsoort Cucullus solitarius (koekkoekachtige)

    piets

    petsen

    pik

    houweel

    pikkewyn

    pinguïn

    pla

    lastig vallen, dwarszitten ("Jammer om te pla!" = "Pardon!" / "Mag ik U even lastigvallen?" / "Wat jou pla, is jou eie gewete")
    Vgl. 'terg', 'lol', 'neul'

    plaas

    boerderij; boerenbedrijf

    plaashuis

    boerderij (woning)

    plaasjapie, plaasgawie (scherts.)

    (achterlijke) boerenjongen

    plaatjoggie

    discjockey

    plakkie

    verzamelnaam voor zeer algemene inheemse vetplantsoorten van het geslacht crassula

    plakkies

    slippers

    plan ('n -maak)

    een oplossing vinden ('n Boer maak 'n plan = we vinden er wel iets op)

    plate neem

    röntgenfoto's maken

    platform

    perron

    plek

    plaats

    plek-plek

    hier en daar

    pleks ( - van)

    in plaats van

    plesier (dis 'n -)

    graag gedaan

    plofstof

    explosieven

    plonk

    slechte wijn

    plot

    huis met een stuk grond buiten de stad

    pluimbal

    badminton

    poeding

    pudding

    poegaai

    bekaf

    poehaai

    kouwe drukte

    poepdronk, poesdronk

    strontlazarus

    poes (plat)

    vrouwelijk geslachtsorgaan
    (dus nooit in Z.A. tegen een kat zeggen!)

    polonie

    soort boterhamworst

    pomelo

    grapefruit

    Pompies, Piet

    Pietje Puk, Jan Janssen (e.g. de doorsnee mens, Jan Modaal, of een voorbeeldnaam bij een formulier)
    ("Wie het my toebroodjies opgeëet?"
    - "Piet Pompies.")

    pondokkie

    armelijk hutje

    ponie

    pony (paardje)

    poniekoerant

    roddelkrant, boulevardkrant, 'tabloid'

    ponsmasjien

    perforator

    pootuit

    uitgeput (vgl. beenaf)

    popspeel ww.

    met poppen spelen

    posgeld

    porto

    poskaart

    briefkaart

    posseël

    postzegel

    poswese

    posterijen

    pot

    pan

    potjiekos

    stoofpot in ijzeren driepoot-pot, boven open vuur (echt traditioneel Afrikaans!)

    praktisyn (mediese-)

    arts, dokter ook: mediese dokter

    prikkelpop

    pin-up girl

    prinsipaal

    schoolhoofd; ook skoolhoof

    probeerslag

    poging

    proe

    proeven

    pronkertjie

    siererwt: lathyrus

    prop

    kurk, plug

    propper

    netjes

    puik

    uitstekend, voortreffelijk

    Puk

    Student van de Potchefstroomse Universiteit vir Christelike Onderwys

    puntenerig

    kieskeurig, lichtgeraakt

    pyl ww.

    recht op iets afgaan

    pynappel

    ananas

    R

     

    raadop wees

    ten einde raad zijn

    raaiskoot

    gissing

    raakloop

    onverwachts ontmoeten, ergens tegenaan lopen, (iemand) tegen het lijf lopen

    raakry

    tegen iets/iemand aan rijden; omver rijden

    raaksien

    opmerken; in het oog krijgen

    raakskoot

    voltreffer

    raar

    vreemd, ongewoon, eigenaardig;
    Opm.:De betekenis 'zeldzaam' komt ook voor, maar dit geldt als onverzorgd en anglicistisch (< Eng. rare) Afrikaans

    raas

    razen; (met iemand ~) berispen;
    raas gee = iemand berispen, op zijn kop geven

    rak

    rek; (boeken-)plank; (winkel-)schap
    "Op watter rakke kry ek die sjampoe?" = "In welke schappen vind ik de shampoos?"

    rak

    spinneweb, spinnerag

    ramparty

    vrijgezellenfeest voor de mannen

    rand (soms ook 'rant'; zie aldaar))

    reeks heuvels, plateaurand

    randjie

    heuvel, reeks heuvels

    randsteen

    stoeprand, trottoirrand

    rant

    steile, geërodeerde bergkruin

    rapsie

    klein beetje

    rat

    versnelling

    ratkas

    versnellingsbak

    reënerig

    regenachtig

    reg

    recht; juist, in orde

    regmaak

    in orde maken; ook steriliseren van katten/honden

    regmakertjie

    borrel (vgl. dop, sopie)

    regtig/rêrig

    echt waar, waar (rêrig? = echt waar?)

    reguit

    rechtdoor

    reguit

    recht-door-zee

    regverdig

    rechtvaardig

    reisies

    races, hardloopwedstrijd (ook van paarden)

    rekenaar

    computer

    rekenmeester

    accountant

    renons

    afkeer

    renoster

    neushoorn

    rêrig/regtig

    werkelijk, echt waar

    resies

    (paarden) wedrennen

    resieperd

    renpaard

    reuk/ruik

    geur, reuk

    reun

    reu (mannetjeshond)

    rieme (jou ~ styfloop)

    in de problemen geraken

    riempiesstoel

    stoel met mat van "riempies" (reepjes van leer)

    riller

    thriller

    rinkink

    fuifen, uitgaan, boemelen (vgl. 'jol)

    rinneweer / verrinneweer

    ruïneren / verruïneren

    rissie (rooi-)

    spaanse peper; (fig) kenau, feeks

    ritteltit (die ~(s) kry)

    hysterisch worden

    robot

    verkeerslicht, stoplicht; ook robot; ook verkeerslig

    rof

    ruw

    rof (rowwe)

    ruw(e)

    rofstoei

    worstelen (sport)

    rok

    jurk

    rolbal

    bowling

    rolbektrui

    coltrui

    rolprent

    film

    romp

    rok

    rondawel

    hut met rieten dak van de negerstammen

    rondvat (iemand - )

    iemand meenemen om hem/haar de omgeving laten zien (vgl. rondwys) ("As jy by ons in Port Elizabeth kom kuier sal ek jou rondvat" = als je bij ons in Port Elizabeth op bezoek komt, zal ik je de omgeving laten zien)

    rondwys (iemand - )

    iemand de omgeving laten zien

    rooi

    rood (zowel attribitief als predicatief)

    rooigety

    enorme toevloed van kreeften op het strand

    rooinek (scherts.)

    Engelsman, Engelssprekende (vgl. soutpiel)

    rooitaal

    Engels

    die rooitaal gooi

    Engels spreken

    rot

    rat

    rou

    ruw, onbeleefd

    rug - rûe / ruggens

    rug - ruggen; bergrug - bergruggen

    ruiker

    boeket

    ruintjie

    reu (mannetjeshond)

    ruk

    choqueren; schok

    ruk-en-pluk

    hevig bewegen (op muziek), rock 'n' roll (vgl. 'skud', 'skommel')

    rukkie

    poosje (dit is 'n rukkie gelede = dat was een poosje geleden)

    ruskamer

    openbaar toilet

    ry

    rijden, vliegen, varen

    ryloop

    liften

    ryp

    lichte nachtvorst

    rys

    rijst

    S

     

    saak maak

    belangrijk zijn

    saal

    zaal; zadel

    saam

    samen; mee- (zoals saamsing, saamhuil, saamry)

    saamryklub

    carpooling

    saamstem

    instemmen

    saamtrek

    bijeenkomst

    saamtrekdag

    landdag, toogdag

    saamvat

    meenemen

    saans

    's avonds

    sag / saf

    zacht

    sak

    zak, tas
    Vgl. 'tas'

    sakkie-sakkie

    boeremusiek (vgl. konsertina)

    sambreel

    parapluie, parasol

    sampioen

    champignon

    sandpapier

    schuurpapier; ook skuurpapier

    sangoma

    toverdokter, medicijnman

    sanna

    ouderwets geweer (zoals tijdens Boerenoorlog)

    seekat

    octopus ('Die seekat is dood': gezegd wanneer er een onaangename geur uit de zee komt)

    seekoei

    nijlpaard

    seen, seën

    zegen

    seermaak

    pijn doen; beledigen

    seerkry

    pijn hebben, krijgen

    sêgoed

    woordenschat

    sekelmaan

    halve maan

    sening

    kraakbeen ('zeen' in vlees)

    sens

    zeis

    sensitief

    (over)gevoelig

    senuweeagtig

    zenuwachtig

    senuwees

    zenuwen

    serp

    sjaal(tje) (vgl. tjalie)

    setlaar

    kolonist uit Engeland (1820 setlaars)

    seun

    jongen, zoon

    seunskoor

    jongenskoor

    siel uittrek

    plagen, pesten

    sien

    zien; bezoeken

    sies tog!

    uitroep van medelijden; 'ach wat jammer, zeg'

    sif

    zeef; zeven (ww.)

    sifdraad

    kippengaas (vgl. ogiesdraad)

    sinkplaat

    golfijzer

    sirkel

    rotonde

    sigorei

    chichorei (blauwbloemige composiet: Ciehorium intybus); chichorei-extract om de koffie romiger te maken

    sitplekgordel

    veiligheidsriem

    sjampoe

    shampoo

    sjoe

    tjonge, pfoe (sjoe, dis warm: tjonge, wat is het warm)

    sjoes! - tussenw.

    Ssst! (wees stil!)

    skaam

    verlegen

    skaars

    zeldzaam

    skaduwee

    schaduw

    skakel

    zelfst. nw. oproep, telefoontje; ww. opbellen

    skakelbeampte

    PR-man / vrouw

    skakelhuis

    twee-onder-een-kap

    skarlakenkoors

    roodvonk

    skattebol

    lieveling, schattebout

    skeet

    wind; kwaaltje; kuur (vol kuren) (vgl. fiemies)

    skelm

    stiekem

    skelm

    schelm

    skemerkelkie

    borrel, cocktail

    skenk

    schenken (geven)

    skêr

    schaar

    skerpioen

    schorpioen

    skiktyd

    flexibele werkuren

    skilfers

    roos (van hoofdhuid)

    skilpad

    schildpad

    skinder / skinner

    roddelen

    skinderstories

    roddelpraatjes

    skink

    schenken (drank)

    skinkbord

    dienblad

    skollie

    bandiet

    skommel

    schudden (ook van kaarten)

    skons

    scones

    skoolhou

    lesgeven

    skooldrag

    schooluniform

    skoolhou

    lesgeven

    skoorsoeker

    ruziemaker

    skorsie

    kleine, hartige meloenachtige groente (in het Engels: squash), ook: lemoenpampoen)

    skottel

    schaal (vgl. piering), grote schotelvormige plaat of eg

    skottelgoed

    de vaat, servies

    skottelgoedwasser

    vaatwaemachine

    skouburg

    theater

    skouer

    schouder

    skouers ophaal

    je schouders erbij ophalen (vanwege scpesis of ongelovigheid) ("Ek haal net my skouers op wanneer jy uit die Bybel lees.") Vgl. 'ophaal'.

    skouhuis

    modelwoning

    skraal

    schamel, mager, slank

    skraps

    schamel, nauwelijks

    skrefie

    kier

    sku

    schuw

    skuifspeld

    paperclip

    skuld

    (zelfst. nw.) schuld; (ww.) schuldig zijn aan ("Hoeveel skuld ek jou?" = "Hoeveel ben ik je schuldig?").
    Vgl. 'delg' en 'opdok'.

    skurf

    ruw (Skurwekop = een berg met een rafelige krans [zie aldaar] in de buurt van de plaats Graaff-Reinet)

    skyf

    schijf, chip; joint, stickie (drugs)
    ("Wat giggel julle so?" - "Sien jy daai skyf? Dis 'n stompie!")
    Vgl. 'dagga', 'boom' en 'zol'

    skyfies

    patat, ook: aartappelskyfies; dia's

    slaai

    salade

    slaggate

    gaten in de weg (vgl. donga)

    slagter

    slagerij

    slapskyf

    floppy disk

    slaptjips

    patates frites (dikwijls met azijn en zout erover)

    sleg

    niet goed meer (melk, boter) (vgl. kês)

    slegmaak (iemand)

    over iemand roddelen

    slegsê

    roddelen, kwaadspreken: ook slegmaak

    slenterdrag

    vrijetijdskleding

    slukderm

    slokdarm

    smous

    marskramer

    snaaks

    grappig, vreemd, raar

    sneesdoekie

    papieren zakdoek
    zie ook snesie

    snelskrif

    steno

    snesie

    zakdoek (zie ook sneesdoek)

    snoek

    barracuda-/makreelachtige, baarsachtige (Perciiformes) zeevis die als lekkernij wordt beschouwd (ondanks de vele graten) (Scomberomorus Leopardus)

    snoesig

    gezellig, behaaglijk

    Snor City (gemeenz.)

    Pretoria

    sny (ww.)

    snijden, knippen

    sny (zn.)

    snee

    soek

    zoeken, moeilijkheden zoeken, tarten

    soetkoek (soos - )

    (uitdr.) als zoete broodjes, ("hierdie boek lees soos soetkoek" = dit boek kun je verslinden / "die nuutste iPods verkoop soos soetkoek" = de nieuwste iPods gaan als zoete broodjes van de toonbank)

    soetrissie

    paprika

    soggens

    's morgens, 's ochtends

    sokker

    voetbal

    sokkerspan

    voetbalteam

    sokkie

    discoën, ongebonden, vrijelijk dansen zoals op feestjes: huppen op de maat

    sokkiejol

    feestje, partijtje waar zo wordt gedanst

    somer

    zomer

    sommer

    zomaar, zonder bijzondere reden; ook sommerso ("Ons jol sommer vir die pret" = we vieren feest, gewoon voor de lol)

    sonar

    echo(-grafie)

    sonde

    zonde, ruzie

    sonkamer

    serre

    sononder

    zonsondergang

    sonop

    zonsopgang

    sonsambreel

    parasol (vgl. sambreel)

    sonstrepe

    coup soleil

    soos

    (zo)als (zo groot als... = so groot soos; net als = net soos) (vgl. nes)

    sop

    soep

    sopie

    borrel, drankje (vgl. dop, regmakertjie)

    sosatie

    sateh, saté

    sous

    saus; jus

    soutpiel

    beledigende benaming voor een Engelssprekende (vgl. rooinek)

    souttert

    hartig gebak

    span

    team

    spangees

    teamgeest

    spandeer

    uitgeven (geld), doorbrengen (tijd)

    spanspek

    meloen (niet watermeloen)

    speek

    spaak

    spek

    ontbijtspek, bacon

    spekboom

    spekboom: soort succulente struik van de posteleinfamilie, Portulacaria afra

    spens

    voorraadkast/-kamertje

    spertyd

    sluitingsdatum voor kopij

    speurder

    detective

    speurverhaal

    detectiveverhaal

    spieëltafel

    toilettafel

    spiesgooi

    speerwerpen

    spindroër

    centrifuge

    spinnekop

    spin

    spoedbeperking

    maximumsnelheid

    spoedlokval

    snelheidscontrole

    spog

    opscheppen, pochen

    spookasem

    suikerspin

    spore maak

    hard weglopen

    sprinkaan

    sprinkhaan

    springmielies

    popcorn

    sprinkaan

    sprinkhaan

    spruit

    beekje

    spuls, speels (paarden)

    tochtig

    staanspoor

    (uit die-) onmiddellijk

    staatmaker

    iemand op wie men staat kan maken

    stad

    stad

    stadig

    langzaam ('langsaam' is erg ongebruikelijk)

    stadsaal

    gemeentehuis, stadhuis

    stadsraad

    gemeenteraad

    stamp

    stampen, stoten (ek het my kop gestamp)

    stap

    wandeltocht, trektocht maken

    staptoere

    wandeltochten

    stasie

    station

    stasiewa

    stationcar

    stat (mv. statte)

    traditionele Zoeloenederzetting

    steeds

    nog steeds

    steek (plat)

    geslachtsgemeenschap hebben

    steen

    (zelfst. nw.) steen (verheven taalgeb.: 'Die steen des aanstoots'), edelsteen, baksteen; (bijv. nw) stenen.
    In het Afrikaans kent men het woord 'steen,' voor alle handgemaakte, gefabriceerde (bouw-, bak-, edel-)stenen. 'Klip' gebruikt men voor alle overige betekenissen. Klip betekent dus 'een stuk steen', 'een steen', zoals je die in de natuur aantreft.
    Vgl. 'klip'.

    steggie / stiggie

    stekje (v.e. plant)

    steke

    hechtigingen

    steur, jou ~ aan

    storen, zich storen aan
    ("Ek steur my aan jou bespotlike kleredrag") (vgl. 'traak' en 'stoor')

    stiksienig

    kortzichtig

    stingel

    stengel

    stoep

    veranda

    stofpad

    ongeteerde weg (vgl. grondpad)

    stokalleen

    helemaal alleen

    stokkiesdraai

    spijbelen

    stokkiestert

    stokstaartje (ook mierkat of meerkat genoemd in het Afrikaans; soort mangoest [civetkatachtige; viverridae] die rechtopstaand de wacht houdt)

    stokperdjie

    hobby

    stoof

    fornuis

    stoor

    opslaan, voorraad aanleggen
    (vgl. 'bêre' en 'steur')

    stoot

    duwen (vgl. stamp)

    stootwaentjie

    wandelwagentje

    storm, mv. storms

    storm, mv. stormen

    stort(-bad)

    douche

    stouter

    stouterd

    strokie

    kassabon

    strokiesverhaal

    stripverhaal

    strooitjie

    rietje

    stry

    strijden; disputeren

    stuitig

    dwaas, gek

    stuitigheid

    dwaasheid, gekheid

    suiping

    drinkplaats voor dieren

    suring

    klaverzuring (Engels 'sorrel'; oxalis)

    suster

    gediplomeerd verpleegster

    suurlemoen zn.

    citroen
    Vgl. 'lemoen', 'lemmetjie'

    swaai

    zwaaien (heen en weer), schommelen

    sweetpak

    trainingspak

    swemklere

    zwempak

    swot

    (hard) studeren, blokken

    sykouse

    nylons

    sypaadjie

    trottoir

    T

     

    taakspan

    taakgroep, taakeenheid

    ta-ta

    tot ziens
    Opm.: Het aan het Engels ontleende 'ta-ta' wordt nooit door mannen gebruikt maar juist door vrouwen.

    tabberd

    (sjieke) japon, (sjieke) jurk

    tafeldoek

    tafelkleed

    tak

    filiaal (bv. van bank), afdeling

    takbestuurder

    manager van bijkantoor

    takbok

    hert
    Opm.: Naast het woord takbok heeft in Afrika het woord hert alleen als geleerd woord bestaan. Het werd vervangen door takbok, wat zich laat verklaren door het feit dat herten oorspronkelijk niet in Zuid-Afrika voorkomen. Een oorspronkelijk, niet-geleerd woord voor hert leeft nog voort in de naam van het inheemse 'hartebees', dat de vroege kolonisten aan het Europese hert deed denken (zie aldaar).

    takhaar

    verwilderde persoon met lange klittende haren

    takkantoor

    bijkantoor

    tamatie

    tomaat

    tandefee

    'tooth-fairy'; sprookjesfiguur die gewisselde tandjes van kinderen ophaalt

    tannie

    enigszins verouderde aanspreekvorm voor oudere dame: mevrouw ("Sal tannie dalk tee wil hê?")

    tarentaal

    parelhoen

    tas

    koffer
    Vgl. 'sak'

    te kere gaan

    te keer gaan

    teater

    bioscoop, operatiekamer

    teatersuster

    operatiezuster

    teef

    slet (>Eng. 'bitch'), verder hetzelfde als in het Nederlands

    teel

    fokken

    teelmerrie

    fokmerrie

    teen, teën

    tegen

    teen-, teë-

    tegen- (teendeel, teëpraat [= tegenspreken])

    teenliggaam

    antistof

    teenswoordig

    tegenwoordig, aanwezig

    teerpad

    geasfalteerde weg

    teetyd

    thee-/koffiepauze

    teiken

    (zn.) doelwit; (ww.) de pijlen richten op, zich richten op

    teken

    teken; bord (verkeersbord, bord met opschrift)

    tekkie

    gympie, gymschoen

    teller

    kassier

    teneergedruk

    'depri'

    tentatief (tentatiewe)

    voorlopig

    terg

    plagen

    tering

    tuberculose

    tert

    taart, gebak; (fig) slet, vrouw van lichte zeden

    t-hemp

    t-shirt

    tiekiedraai

    rondedans

    tikmasjien

    typemachine

    tikster

    typiste

    tjaila

    ermee ophouden, stoppen met werken voor de dag

    tjank

    janken

    tjap, stempel

    stempel

    tjek (rekening)

    cheque (rekening)

    tjello

    cello

    tjommie

    maatje, gabber, goede vriend

    tjoepstil

    doodstil

    tjops

    speciale stukken varkensvlees voor op de braai
    (vgl. 'karmenaadjies')

    tjorrie

    oude vrachtwagen

    toebalkon

    dichtgenouwd balkon

    toebroodjie

    sandwich

    toedraai ww.

    inpakken (met papier)
    "Sjoe, maar hierdie geskenkie is mooi toegedraai, hoor!" = "Jeetje, dit cadeautje is mooi ingepakt, zeg!"

    toeka se dae (uit-)

    van vroeger (ook: uit hoeka se dae)

    toet

    lang geleden

    toetentaal

    geheel en al

    toiings

    aan flarden gescheurde kleren

    tokkelossie, tokkelos, tokkelosj

    kleine fabelfiguur die 's nachts je bed inkruipt om je te wurgen

    toneel

    toneel; plaats (v.e. misdaad, gebeurtenis)

    toom

    bit (deel v.h. hoofdstel voor in de bek v.e. paard)

    toor

    toveren

    toordery

    toverij / tovenarij

    toordokter

    toverdokter

    toornaar

    tovenaar

    toring

    toren; toorn

    torring

    tergen, kwellen (aan iemand torring = iemand kwellen, lastigvallen)

    tou opgooi

    de moed laten zakken

    toustaan

    in de rij staan

    touwys maak

    iemand ergens mee bekend maken (een land, stad)

    traak

    storen, 'raken' (Dit traak my nie = het stoort mij niet - vgl. 'traak-my-nie-agtig' en 'traak-my-nie-agtigheid' en 'steur')

    traak-my-nie-agtig; traak-my-nie-agtigheid

    onverschillig, onvermurwbaar, (ten onrechte) onkwetsbaar; onverschilligheid, onvermurwbaarheid, de illusie dat je onkwetsbaar bent ("hierdie siniese man het 'n traak-my-nie-agtige houding")

    treffer

    hit (muziek)

    trek

    verhuizen (denk maar aan Die Groot Trek in 1838)

    trek

    zone

    trekklavier

    accordeon

    trek op

    op iemand lijken

    troeteldier

    huisdier

    tromme

    drums

    tru! / troei!

    terug! (tegen paarden, ossen)

    trurat

    versnelling voor achteruit

    truspieël

    achteruitkijkspiegel

    tuimeldroër

    droogtrommel

    tuinmaak

    tuin aanleggen

    tuis

    thuis (bijw.)

    tuis gaan

    logeren

    tuiste

    thuis (zelfst.nw.); tehuis, onderkomen

    Tuk (mv. Tuks)

    student van de Universiteit van Pretoria

    twak

    tabak; ook: nonsens

    tweegatjakkals

    doortrapte meeprater

    tydperk

    periode
    Opm.: Wat in het Nederlands 'tijdperk' betekent, is in het Afrikaans 'era'. Het Afrikaanse 'tydperk' kan ook, bijvoorbeeld, een tijdspanne van twee maanden beslaan, en niet miljoenen jaren, zoals in het Nederlands. ("In die tydperk van einde Mei tot einde Junie het ons reën gehad.")
    (Vgl. 'era')

    U

     

    ui

    ui

    uintjie

    inheems bolgewasje, vernoemd naar Ned. 'ajuin'

    uitdruk

    uitdraai (PC)

    uitgetel

    moe, uitgeput

    uitgevat

    (deftig) chique gekleed

    uithaler

    voortreffelijk

    uithangplek

    uitgaansgelegenheid

    uitken

    identificeren

    uitklim

    uitstappen; tegen (een berg) opklimmen; uitklimmen

    uitlander

    buitenlander

    uitlos

    met rust laten

    uitlos

    met rust laten ('Los my uit!' 'Jy moet die vroumense uitlos')

    uitoorlê

    overtroeven

    uitrusters

    kledingwinkel

    uitsaai

    uitzenden (radio/tv)

    uitsaaikorporasie

    omroepstichting

    uitsak (die reën -)

    het regent

    uitstalkas

    vitrine, etalage

    uitstalling

    expositie, tentoonstelling

    uittree

    aftreden

    uitvat

    uitdossen

    uitveër

    gommetje

    V

     

    vaak / vakerig

    slaperig
    Opm.: In Nederland, Katwijk, is dit woord ook heel gebruikelijk om er 'slaperig' mee uit te drukken. De algemeen-Nederlandse betekenis van 'vaak' (dikwijls) moet in het Afrikaans met 'dikwels' of 'baie' uitgedrukt worden (zie aldaar).

    vaar

    varen (ook: presteren "Hoe het die sokkerspan gevaar?"

    vadoek

    theedoek

    valskerm

    parachute

    van

    achternaam

    vandeesweek

    deze week

    vanieljegeursel

    vanille essence

    vanoggend (spr. 'va-oggend')

    vanochtend, vanmorgen, deze ochtend ("Goeiemôre! Hoe gaan dit met jou vanoggend?")

    vanslewe/vammelewe

    van vroeger

    varing

    varen (zelfst.nw)

    vark

    varken

    varkoor/varkblom

    aronskelkachtige (>varkensoor); Zantedeschia aethopica

    varktjop

    varkenskarbonade

    varkvleis

    varkensvlees

    vars

    vers, fris, jofel

    vas

    stevig, vast, snel

    vasbrand

    vastlopen

    vasbyt

    Volhouden, doorzetten

    vasgevang

    gevangen

    vaskeer

    in het nauw drijven

    vassteek (in die modder-)

    vast blijven zitten; ook vastmaken (met spelden)

    vastrap

    snelle dans

    vastrapplek

    steunpunt

    vasval

    in de modder vastzitten

    vasvat

    stevig vasthouden

    vasvrawedstryd

    quiz

    vat

    pakken, nemen, vatten, snappen/begrijpen

    vatlappie

    pannenlap

    vatterig

    handtastelijk, plakkerig, te aanhalig

    vee / veeg

    vegen

    veër

    bezem

    vel

    huid
    Opm.: Het Afrikaanse woord 'huid' betekent in het Nederlands alleen gevilde dierenhuid
    Vgl. 'huid' en ' kopvel'

    veldfliek

    bioscoop in de open lucht (vgl. inryteater)

    veldtog

    veldtocht; campagne
    "Ondersteun ons verkiesingsveldtog!"

    veloorplanting

    huistransplatatie

    velskoene

    leren, effen schoenen met zachte zolen

    verband ('n- op jou huis)

    hypotheek

    verbandkoers

    hyptheekrente

    verbruiker

    conument

    verbypad

    snelweg om een stad

    verbysteek

    passeren

    jou vererg (verêre)

    zich ergeren

    vergasser

    carburateur

    vergek; vergek hou

    voor de gek houden

    verhoog

    toneel, podium

    Verhoogvrees/plankevrees

    plankenkoorts

    verkeerskonstabel

    verkeersagent

    verkeerswisselaar

    knooppunt

    Verkies

    prefereren, liever hebben

    verklaring

    aangifte doen bij de politie

    Verkleurmannetjie

    kameleon

    Verknorsing

    moeilijkheid

    verkoeler

    radiateur

    verkoopsbestuurder

    salesmanager

    verkoopsdame

    verkoopster

    verkyker

    verrekijker (het Afrikaans kent dus niet dat nep-Zuid-Afrikaanse woord 'loerpypie'!)

    verlaas

    voor het laatst

    verlangs

    ver (inz. verre familie)
    "Paul Kruger is verlangse familie van my"

    verleë

    in verlegenheid gebracht

    vermaaklikheid

    amusant

    vermaan

    vermanend spreken
    " 'Moenie dit sê nie!', vermaan sy hom" = "'Je mag dat niet zeggen!', zei ze hem vermanend"

    vermoë

    vermogen
    dravermoë = draagvermogen

    verneuk (gemeenz.)

    bedriegen

    verpes

    verachten ("Ek verpes leuenaars" = "ik veracht leugenaars")
    Vgl. 'bederf'.

    verrinneweer

    verwoesten (vgl. rinneweer)

    vers

    vaars

    versiersuiker

    poedersuiker

    verskoon my asseblief

    excuseert U mij alstublieft

    verslankingskuur

    vermageringskuur

    verspot

    gek, lichtzinnig, melig
    Vgl. mallerig, mal, katools

    verstaan

    verstaan; ook: begrijpen

    versteek

    verbergen, verstoppen
    Opm.: Dit woord wordt, met 'wegsteek', gebruikt waar men in het Nederlands gewoonlijk 'verstoppen' zou zeggen:
    "Hy het 'n mes in sy tasse versteek, maar die doeane het dit nie opgemerk nie" = "Hij had een mes in zijn koffers verstopt, maar de douane had het niet opgemerkt"
    "Die huis is versteek agter digte struike en bome"
    Vlg. 'wegsteek', 'wegkruipertjie', 'verstop'

    verstop

    dichtstoppen, dichtslibben, dichtgeraken, verstoppen
    Opm.: Dit woord wordt, uitsluitend in de zin van 'de doorgang verstoppen' gebruikt, en heeft dus niets met 'verbergen, wegsteken' te maken. :
    "Die buis is verstop met dik olie"
    "Almal se dreine sal verstop raak" = "De waterafvoerbuizen van iedereen zullen verstopt raken"
    Vlg. 'versteek', 'wegsteek', 'wegkruipertjie'

    vertikale blindings

    lamellen

    vertoonkamer

    showroom

    verversings

    versnaperingen, voedsel

    vervies (jou - oor)

    kwaad worden, zich zeer ergeren aan (vgl. vererg)

    verwysingsraamwerk

    referentiekader

    vet (bijv. nw.)

    dik (van mensen)

    vet (zelfst. nw.)

    vet

    vetkoek

    traditioneel gerecht van hompjes deeg uit tarwemeel, water, gist en zout, gefrituurd in olie en dikwijls doormidden gesneden en gevuld met kerriegehakt of iets anders hartigs.
    Het smaakt als oliebollen.
    Vgl. 'koeksister'

    vetterig

    vettig, vet (ook van haar)

    vierrigtingstop

    kruising zonder voorrang

    vierspoedratkas

    vier versnellingen hebbende versnellingsbak

    vies

    kwaad

    vigs
    (verworwe immuniteitsgebreksindroom)

    aids

    vingeralleen

    moederziel alleen

    vingerete

    koud of warm buffet

    vinnig

    snel

    vir

    voor; tegen, naar, om, aan, 'voorwerpswoord'
    Opm.: Vir wordt veel meer gebruikt dan het Nederlandse 'voor', omdat het meer betekenissen heeft. Hier komt de verklaring:
    voor: "Hierdie koppie koffie is vir oupa" = Dit kopje koffie is voor opa"
    tegen: "Moenie vir my lieg nie" = "Je moet niet tegen mij liegen"
    tegen: "Jy kan dit maar vir my sê, hoor" = "Tegen mij kun je het zeggen, hoor"
    naar: "Ek geniet dit so om om vir jou te kyk" = "Ik geniet er zo van om naar jou te kijken"
    naar: "Nou moet jy mooi vir my luister, boetie!" = "Luister jij eens goed naar mij, jochie!"
    om: "Lekker lag ek nou vir jou aksent" = "Ik moet zo om jouw accent lachen"
    aan: "Gee dit asseblief vir my, en nie vir hom nie" = "Geef het alsjeblieft aan mij, en niet aan hem" (bij benadrukking van de meewerkende voorwerpen)
    aan: "Ek het dit mos vir hom gesê" = "Ik heb het nog aan hem gezegd"
    niet altijd vertaalbaar, bij meewerkend voorwerp: "Gee gou-gou vir my die biltongmessie" = "Geef (aan) mij gauw het biltongmesje"
    niet altijd vertaalbaar, bij meewerkend voorwerp: "Ek het vir hulle gevra of ons skoon komberse kan kry" = "Ik heb (aan hen) hun gevraagd of we schone dekens kunnen krijgen"
    niet vertaalbaar, bij lijdend voorwerp: "Ken jy vir Christo?" = "Ken jij Christo?"
    niet vertaalbaar, bij lijdend voorwerp: "Moenie vir my slaan nie, dit was nie ek nie" = "Je moet mij niet slaan, ik was het niet"

    Deze bijzondere, onvertaalbare, betekenis vindt zijn oorsprong waarschijnlijk in het Maleis-Portugees uit de begindagen van het Kaapse Hollands, dat later tot het Afrikaans zou uitgroeien.
    Voor de leerder van het Afrikaans is het handig te weten dat je de onvertaalbare vir bij een lijdend voorwerp meer moet invoegen, naar mate er meer sprake is van een lijdend voorwerp. Bijvoorbeeld: "Ken jy vir Mandela?" kun je vertalen met: "Ken je Mandela persoonlijk?", terwijl "Ken jy Mandela?" eerder op te vatten is als: "Ben je bekend met Mandela?"

    vir oulaas

    voor 't laatst, nog even dan

    visenteer

    fouilleren

    vlag - vlae

    vlag - vlaggen
    Opm.: de Afrikaanse vorm met de lange 'a' komt van de Hollandse meervoudsvorm 'vlagen')

    vlakvark

    wrattenzwijn (inheemse, grofgebouwde zwijnachtige met wratachtige uitsteeksels aan schedel en slagtanden; Phacochoerus aethiopicus)
    (vgl. 'bosvark')

    vlei

    moerassig gebied

    vlerk

    vleugel

    vleuel

    vleugel (alleen van gebouwen of groeperingen)

    vliegies

    kleine vliegjes

    vliegtuig ry

    in het vliegtuig zitten (vliegen)

    vloed zn.

    overstroming
    "Verlede jaar se vloed het 254 lewens geëis"

    vloer

    verdieping, vloer

    vloerlap

    dweil

    voël

    vogel (ook in de 'edele-delen' betekenis)

    voëlblom

    Strelitzia

    voertsek!

    ga weg! (>'voort zeg ik')

    voet: jou ~ !

    ben je gek/mal!; ook: "Jy is verspot! Jy is mal!"

    voetoorgang

    zebrapad

    voetslaanpad

    wandelroute

    voggies (gemeenz.)

    borrel, neut, drankje
    Vgl. 'dop', 'regmakertjie' en 'sopie'
    Dit woord is een typisch voorbeeld van een eufemistisch gebruik van een woord voor iets dat als ongezond gezien wordt. Het gaat dan ook meestal om sterke, gedistilleerde drank. 'Vochtjes' zou de betekenis van dit wat omslachtige, ondeugende woord zijn. Taboewoordvorming heeft hier z'n werk gedaan.

    volstruis

    struisvogel

    voltyds

    full time

    volvloermatte

    vaste vloerbedekking

    vomeer, vermeer

    braken

    vonkelwyn

    mousserende wijn, zoals champagne, op de Méthode Champenoise gebrouwen

    vonkprop

    bougie

    voor

    vóór

    voor

    sloot

    voorkeer

    tegenhouden

    voorskrif

    (dokters) recept

    voorskoot

    schort

    voorstad

    buitenwijk

    voorste

    vooraanstaande

    voorstedelike trein

    trein naar de buitenwijken

    voort; voort-

    verder, voort; voort-, verder- door-

    Opm.: het woord wordt vaker gebruikt en de betekenis is er breder dan in het Nederlands. Dit komt doordat het Afrikaanse 'verder' meer 'daarnaast', 'overigens' en de vergrotende trap van 'ver' betekent. Gebruik 'voort-' ook in verbindingen waar wij 'verder-' of 'door-' zouden gebruiken: "Doen so voort!" = Ga zo verder! (compliment) / "Ek gaan voort met my werk" = Ik ga door met mijn werk / "Die finansiële verknorsing duur voort" = De financiële problemen duren voort)
    (Vgl. 'vort')

    vorentoe

    vooruit, in de toekomst

    vorm, vorms (meervoudsvorm)

    vorm, vormen (mv.) / formulier, formulieren (mv.)

    vort

    ervandoor; ~ wees met = ervandoor zijn met
    ("Nou is die dief vort met my motor!" / "En dan is dit weer vort." = En dan moeten we er weer vandoor. / "In Augustus is ek vort Port Elizabeth toe.")
    (Vgl. 'voort', 'waai')

    vrek

    doodgaan (dieren)

    vrekte

    sterfte (onder dieren) "Daar is vrekte onder my beeste"

    vries

    vriezen

    vroetel

    wroeten

    vrot

    (ver)rot; slecht

    vrotsig

    naar ('n vrotsige kêrel)

    vrug

    vrucht

    vrugte

    fruit

    vrugteboord

    boomgaard

    vrugtekelkie

    fruitcocktail

    vrykamer

    logeerkamer

    vryskut joernalis

    freelance-journalist

    vryspring

    ontkomen aan

    vuil

    vies, vuil

    vuilgoed

    de vuile was

    vul

    veulen

    vullis

    vuilnis (vuilis is in het Afrikaans een scheldnaam voor een persoon van laag allooi)

    vulstasie, petrolstasie

    tankstation

    vurk

    vork

    vuurhoutjie

    lucifer

    vuuryster

    pook

    vyg, vy mv. vye

    vijg, vijgen mv. (Vyg is de gewone, bekende, eetbare vijg (Ficus). Vygie en vy, daarentegen, is een verzamelnaam voor de talrijke vetplanten die tot de familie der Aizoaceae [voormalige Mesembryanthemaceae] behoren en straalbloemen hebben. Denk bijvoorbeeld aan de hottentotvijg = hotnotsvy of suurvy)

    W

     

    wa

    wagen

    waai

    waaien, zwaaien (met hand)

    waai (gaan ~ )

    weggaan, vertrekken
    ("Ek gaan nou waai!" = Ik ga nu weg!)
    (Vgl. 'vort')

    waaier

    ventilator

    waarborg

    garantie

    waatlemoen

    watermeloen (vgl. spanspek)

    waffers (nie - nie)

    niet erg mooi

    walgooi (teen iets-)

    proberen tegen te houden

    wapenlisensie

    vuurwapenvergunning

    warmerig

    nogal warm

    warmfles

    thermofles

    wasgoeddraad

    waslijn

    wasgoedpennetjie

    wasknijper

    waterblommetjie

    Kaapse waterlelie, wateraar (Aponogeton distachyos)
    Het plantje drijft op het water en draagt mooie, witte aartjes als bloeiwijze)

    waterblommetjiebredie

    traditioneel gerecht bereid uit de Kaapse waterlelie (Aponogeton distachyos)

    watwonders

    buitengewoon ('n watwonderse kêrel)

    weduwee

    weduwe

    weeksdag

    doordeweekse dag

    weens

    wegens

    wegkruipertjie - ~ speel

    verstoppertje spelen
    Vlg. 'versteek', 'wegsteek', 'verstop'

    wegneemetes

    take-away-dinner, eten om mee te nemen

    wegskram (vir iets)

    terugdeinzen

    wegsteek

    verbergen, wegsteken, verstoppen
    Opm.: 'verstop' heeft in het Afrikaans een andere betekenis (zie aldaar).
    Vlg. 'versteek', 'verstop', 'wegkruipertjie'

    welsand, willesand

    drijfzand

    wen

    winnen (spel), verslaan

    werf

    erf, werkplaats bouwplaats ("bouwerf")

    werk

    werk

    werk / werke

    werk; baan / banen (dus: 'Ek het geen werk nie')

    werskaf - ww.

    druk bezig zijn
    ("Ek het die hele dag in die kombuis gewerskaf", "Ons woel en werskaf so om voor sewe uur klaar te wees")

    wewenaar

    weduwnaar

    wildebees

    gnoe

    wildehond

    jakhalshond

    win

    (in)winnen, iets op iemand overwinnen

    wingerd

    wijngaarde, druivenplant

    wingerdstok

    wijnstok

    winskopie

    koopje, aanbieding

    wisselaar

    knooppunt (verkeer)

    witblits

    gedistilleerde (60%) Boeren-kruidendrank (vgl. mampoer

    witgatboom

    boomsoort met gele onderkant (Boscia albitrunca)

    witseerkeel

    difterie

    wittebrood - zn.

    huwelijksreis, wittebroodsweken
    Ons was op wittebrood in Mauritius. Dit was heerlik. = Wij waren op huwelijksreis in Mauritius. Het was heerlijk.)

    woema

    kracht, pit, energie
    ("Hy is 'n man vol woema")

    wonder (ww.)

    zich afvragen
    (Ek wonder wat gaan aan = Ik vraag me af wat er aan de hand is)

    wonderlik

    fantastisch, geweldig

    woonstel

    flat, appartement

    woonstelblok

    flatgebouw

    woonwa

    caravan

    woonwapark

    camping

    woordverwerker

    tekstverwerker

    worg

    wurgen / worgen

    worries

    zorgen, problemen
    Dit woord is niet officieel en beperkt zich tot jongerentaal en slang

    worsrolletjie

    broodje worst

    wraggies

    heus, echt, waarachtig, warempel
    (Maar wraggies, my vriend, julle gaan swaarkry" = "Maar echt, mijn vriend, jullie gaan het zwaar krijgen"

    wurm, wurms

    worm, wormen

    wyfiekat

    poes, vrouwtjeskat

    wyfieleeu

    leeuwin

    wys

    (ww.) laten zien, (ver-)tonen
    ("Ek sal jou ´n bietjie wys hoe om dit te doen" = "Ik zal je even laten zien hoe je het moet doen"
    "Ons nuwe televisiestasie sal net kinderprogramme wys" = Onze nieuwe televisieomroep zal alleen maar kinderprogramma´s vertonen")

    wyster, wyser

    wijzer (op een klok)

    X

     

    X-strale

    röntgenstralen

    Y

     

    yskas

    koelkast

    ys

    (zn.) ijs; (ww.) vriezen

    yslik

    (bijv. nw.) grimmig, vreselijk

    ystervark

    stekelvarken

    ystervarkpatat

    klimplant die verwant is aan en gelijkt op de heggerank
    Kedostris nana van de komkommerfamilie Cucurtibaceae) uit de Oostkaapprovincie. Tweehuizig, groene bloemetjes, vlezig blad, rankende stengels, dikke wortelknol

    Z

     

    zebrastrepe

    zebrapad

    zol

    joint, stickie (drugs)
    ("Fanie, ons moet gesels. Daai is nie braaikruie se ruik nie. Ek kén die ruik van 'n zol."= "Fanie, we moeten praten. Dat is niet de geur van barbecuekruiden. Ik kén de geur van een joint.")
    Vgl. 'dagga', 'boom' en 'skyf'




    Voorschoten, Marcel Bas




    Voorschoten, Marcel Bas






      Wilt U reageren? U kunt De Roepstem een e-mail sturen: Stuur 'n boodskap! Terugvoering word gewaardeer.


      Roepstem Inhoudsopgawe / Inhoudsopgaaf:

      | De Roepstem Hoofdpagina / Tuisbladsy | Onderhoud met Marcel Bas in tydskrif In Diepte | Identiteitspolitiek in Nederland | Bezoek aan Zuid-Afrika in 2007 | Traditionele muziek van eigen bodem en van de Afrikaners | Menno van Coehoorn en de vesting van Namen | De Vier Heemskinderen | Wallonië is deel van de Nederlanden | Virginia Woolf's class consciousness | Boekbespreking: Hermann Wirth | Engelbert Dollfuss: corporatisme in Oostenrijk | António Salazar: corporatisme in Portugal | A la recherche du sens perdu? | De noodklok luidt voor het Afrikaans | De knieval van de Mondriaan Stichting | The Meaning of Tradition in Homer's Odyssey (English) | The demise of the Scots spelling system (English) | Waarom een Hollander een (halve) Vlaming is | Vlaanderen, de Calimero van West-Europa | De Waalse bijdrage in de Opstand | Haarlem heeft een Vlaams gezicht | Zannekin Jaarboek 2005 | Turkije is niet Europees | Tegen EU-toetreding Turkije | Invloed van Afrikaans op Zuid-Afrikaans Engels | De Reformatie in de Nederlanden | De Vlaamse Beweging en de (toekomstige) macht | Verengelsing in Nederland en Suid-Afrika | Afrikaans, die Sondebok | Leiden, een Heel-Nederlands succesverhaal | Zuiderse kijk op de Nederlanden | Nederlandse handelscompagnies (1602-1795) en verbreiding v/d Nederlandse taal en cultuur | Groen van Prinsterer en de Scheuring van de Nederlanden | Die trotse honderdjarige gemeenskap van Afrikaners in Argentinië (1902-2002) | Nederlandse handelscompagnies (1602-1795) en verbreiding v/d Nederlandse taal en cultuur | De Engelse ziekte van Tijdschrift Cosmopolitan | Van der Postgastehuis in Philippolis, SA | Pieter Geyl in Zuid-Afrika | Kleurryke en Kultuurryke Nederland; Kleredragte | De Nederlanden in de 21ste eeuw | De herrijzenis van een vertrapte taal en cultuur | "Er zijn geen Belgen!" | Bijdrage van de Stichting Taalverdediging aan De Roepstem | Frans Vlaanderen | Prof. dr Geyl: "Zuid-Afrika in Heel-Nederlands verband" | Groot-Nederland versus Heel-Nederland? | Taalverslapping is Taalverloedering | Afrikaans - Nederlandse Valse Vrienden | De Nederlanden in het Verenigd Europa | Boere-oorlog: Generaal De Wet Herdenking in Nederland | ANC-cultuurimperialisme bedreigt Afrikanercultuur | Paul Kruger en zijn Volk | "Julle Nederlanders vermoor julle eie taal!" | Afrikaans-Nederlandse opmerkelijke verschillen | De twee Nederlandse Volksliederen | Die Suid-Afrikaanse Volksliedere | Die Vlaamse Volkslied; De Vlaamse Leeuw | Die Volkslied 'Die Afrikaanse Leeu' | Het Wilhelmus; volledig en oorspronkelijk | Het Surinaamse Volkslied | Deel I Discussie: Prof. P.C. Paardekooper | Deel II Discussie: Hans van Zelsts Reactie | Deel III Discussie: Reactie Van Oostrum op Van Zelst en v.v. | "Die Genootskap van Regte Afrikaners" | Introduction to Afrikaans and the Discrimination it faces (Engels) | The United Europe as an Antidote to a democratic Nation-State in the Ideas of F. Nietzsche (Engels) | Holland and its People; ingescand boek van Edmondo de Amicis (Engels) | Turkije is niet Europees |




        Hierdie bladsy is gepubliseer op 4 November 2002, en laas uitgebrei op 22 Januarie 2010.





        Naar Thuisbladzijde


        of:

        Naar boven