DE ROEPSTEM - DIE ROEPSTEM



Naar Thuisbladzijde



Alfabetische Woordenlijst (Zuid-)Afrikaans - Nederlands


Door Marcel Bas.

Met dank aan Auke Sietsma voor het toevoegen van een deel van de woorden.


Aanwijzingen bij de Zuid-Afrikaanse woorden:

Dit is de grootste (Zuid-)Afrikaans-Nederlandse woordenlijst op internet. De lijst is alfabetisch Afrikaans-Nederlands, maar als U vanuit het Nederlands woorden wilt vinden, maakt U gebruik van de zoekoptie van Windows: toets Ctrl + f. Want bent U, bijvoorbeeld, op zoek naar het Afrikaanse woord voor stier, dan toetst U dat in, en na Enter verschijnt rechts het blauwgeselecteerde Nederlandse woord, en links ziet U het Afrikaanse woord: bul.

U zult hier bestaande en vooral in zwang zijnde woorden vinden. Dus niet alleen maar die onder Nederlanders overbekende, nauwelijks serieus te nemen nepwoorden als 'loerpypie', 'amperbroekie', 'kokkie', 'hysbakkie', of ongein als 'stront-in-die-broekie'. Het Afrikaans is wel leuk, maar het is geen slang of een soort grappenmakerscreools. Indien er in deze woordenlijst iets uit de slang staat, dan heb ik er gemeenz. of plat bij vermeld.

Als voorproefje ziet u hier nu even een aantal woorden waarvan Nederlanders en Belgen vaak denken dat ze echt bestaan:

  • 'Loerpypie' (NL: verrekijker) is in het Afrikaans gewoon 'verkyker';
  • 'Amperbroekie' (NL: tanga(-slipje)) is in het Afrikaans gewoon een 'g-string',
  • 'Kokkie' en 'Hysbakkie' (NL: kokje en liftje) (allemaal uit een bekende reclame van Knorr) zijn gewoon 'kok' en 'hysbak'. De Nederlanders maken toch ook niet constant gebruik van hun verkleinwoorden?
  • Uit diezelfde reclame komt 'Pletterpet' (NL: veiligheidshelm). Dit woord is in normaal Afrikaans gewoon veiligheidshelm, maar voor de grap zegt men ook wel pletterpet.
  • En dan het onverklaarbare 'stront-in-die-broekie' (Nl: diarree). Dat is gewoon 'diarree' in het Afrikaans.

    Zoals U ziet, een normale, volwaardige taal. 'Loerpypie' en 'stront-in-die-broekie' bestaan niet eens. Maar dat mag de pret niet drukken. U zult in deze lijst echter genoeg bijzondere woorden en vormen aantreffen!

    Bij begrippen die verwarring kunnen veroorzaken (zoals wat het verschil is tussen 'arties' en 'kunstenaar', of wat 'steen' betekent) heb ik voorbeeldzinnen bedacht die de betekenis duidelijker moeten maken. Verder ben ik bij veel woorden ingegaan op de geschiedkundige, etymologische, sociale en culturele achtergrond.



  • Niets van deze lijst mag overgenomen en gepubliceerd worden zonder uitdrukkelijke toestemming van de auteurs.

    Moenie enigiets van hierdie lys kopieer en publiseer sonder die uitdruklike toestemming van die skrywers nie.


    Vir soek: druk Ctrl + f
    Voor zoeken: toets Ctrl + f.


    Afrikaans

    Nederlands

    aalwee, aalwyn

    aloë

    aanbied

    aanbieden, presenteren

    aanbieder

    presentator (radio, TV)

    aand

    avond

    aandete

    avondeten

    aangaan

    gebeuren; verder gaan / voortgaan; betreffen
    ("Wat gaan hier aan?" = Wat is er hier aan de hand? / "Vir sover as dit my aangaan..." = Wat mij betreft... / "Dit het so vir 'n halwe dag aangegaan." = Het ging zo'n halve dag door.)

    aanpiekel

    (met moeite) dragen, vervoeren; gaan, lopen

    aansoek

    verzoek, sollicitatie

    aansteeklik

    besmettelijk (ziekte)

    aap;
    uitdr.: Die ~ uit die mou laat

    aap;
    uitdr.: Een geheim verklappen

    aar

    (koren-)aar; ader

    aardig

    onaangenaam, naar, misselijk, zich niet lekker voelend; ongemakkelijk, slecht, gegêneerd, beschaamd; irritant, aanstotelijk; aanzienlijk, groot
    Zie verder bij arig, met verdere uitleg over deze voor het Nederlands ongebruikelijke betekenis

    aartappel, ertappel

    aardappel

    aartappelskyfies

    patates frites; chips
    (vgl. 'slaptjips')

    abba

    op de rug dragen

    abuis

    verkeerd, niet juist, 'er naast', abuis
    (Ek is ~ = Ik heb het mis, ik zit ernaast)

    ablusieblok

    toilet- en wasgelegenheid op een camping

    afdelingswinkel

    warenhuis

    afdraaipad

    afrit, afslag

    afdraand(e)

    zn. helling (naar beneden); bijw. bergafwaarts
    (vgl. 'opdraand(e)')

    affodil

    narcis

    afklim

    uitstappen (bus e.a.)

    afneem

    afnemen, fotograferen

    affêring, affêre

    affaire

    afgehaal voel (ek voel afgehaal)

    zich beledigd, vernederd voelen

    afhaal

    afhalen, afdoen, afzetten
    ("Hy haal sy helm/hoed van sy seuntjie se kop af" = "Hij neemt zijn helm/hoed van het hoofd van zijn zoontje af"; "Haal jou boeke af" = "haal je boeken er vanaf"). Vlg. 'ophaal' en 'oplaai'

    afklim

    uitstappen (bus e.a.)

    afneem

    afnemen, fotograferen

    afrigter

    trainer

    aftorring

    aftornen

    aftree

    met pensioen gaan

    aftree-oord

    complex met bejaardenwoningen

    aftrekorder

    machtiging tot automatische afschrijving

    afslag

    korting

    afsterwe

    doodgaan, overlijden

    agtermekaar

    voor elkaar, in orde

    agterste (plat)

    achterwerk

    aikona, aikôna, haikôna

    nee!, helemaal niet!, over m'n lijk!

    aitsa!

    uitroep van verbazing

    akkedis

    hagedis

    akkerboom

    eikenboom

    albaster, albastertjie

    knikker

    algemene handelaar

    soort 'Winkel van Sinkel'

    alikreukel / arikreukel / arikruik / alikruik

    'alikruik'; grote zeeslak die zich op rotsen ophoudt (Turbo sarmaticus)

    alleenloper

    vrijgezel

    almanak

    kalender

    amper

    bijna
    Opm.: Het Nederlandse 'amper' kan het beste benaderd worden door 'nouliks' te gebruiken.

    amperbroekie

    tangaslipje (weinig gebruikelijk)

    amptelik

    officieel

    anderkant

    aan de andere kant / aan de overzijde
    ("anderkant die longdrop kry jy die bure se erf" = aan de andere kant van het buitentoilet vind je het terrein van de buren)
    (vgl. 'duskant' en 'oorkant')

    anderland

    het buitenland
    ("ek wil nie in anderland bly nie; anderland se kos is so vreemd" = ik wil niet in het buitenland wonen; het eten in het buitenland is zo raar)

    angstig

    angstig, verlangend

    antrasietstoof

    kolenkachel

    appelkoos

    abrikoos

    appelliefie

    struik met grote, eetbare, appelachtige bessen (Physalis viscosa en P. angulata)

    apteek

    drogist, apotheek

    aptytwekker

    aperitief

    arig

    naar, ongesteld; beschaamd, niet op z'n gemak; onvriendelijk, irritant, onaardig
    Opm.: In het Nederlands betekent aardig 'vriendelijk'. De voor het Nederlands tegenstrijdige betekenis van het Afrikaanse aardig en arig is eenvoudig te verklaren door te kijken naar het zeventiende-eeuwse Nederlands; algemeen betekende aerdich 'beleefd, vriendelijk' (Jan de Vries: 1971), zoals nu in het Algemeen Beschaafd Nederlands, maar in dialecten betekende het 'vreemd, eigenaardig'. Er zijn Vlaamse dialecten waar die negatieve betekenis behouden is. Daar zegt men 'aorig' om een ongemakkelijke situatie aan te duiden (G.J. van Wyk (red.), Etimologiewoordeboek van Afrikaans: 2003).

    arm (mv. arms)

    arm, armen (ledematen)

    arme, armes

    arme, armen

    arties

    kunstenmaker, circusartiest, 'artist'
    Opm.: betekent niet NL. 'artiest' in de zin van musicus).
    ("Dit is lewensgevaarlik om 'n sweefstok-arties se kunsies te probeer nadoen"). Zie verder bij 'kunstenaar'

    asseblief

    alstublieft
    Bij verzoek: "Vir meer inligting moet jy asseblief net die bostaande vorm invul" = Voor meer informatie verzoeken wij je het bovenstaande formulier in te vullen.

    astrant

    brutaal

    atjar

    groente in azijn

    Awendmaal

    (bijbels) (Laatste) Avondmaal

    B

     

    baadjie

    jasje, colbert

    baadjiepak

    mantelpakje

    baai

    zn. baai; ww. baden, vrijetijdszwemmen
    (vgl. 'bad)

    Die Baai

    bijnaam voor Port Elizabeth

    baaibroek

    zwembroek

    baas

    baas, (vero.) beleefde aanspreekvorm voor blanke
    ("'Goeiemôre, Baas', sê ou Gladman Nqumela vir die boerseun wat sowat sestig jaar jonger is as hy.")

    baba

    baby

    babelas, babelaas, babalaas

    kater (van drank)

    baber

    Afrikaanse meerval (wijdverbreide Zuid-Afrikaanse zoetwatervis Clarias gariepinus)
    ('baber' stamt af van het Nederlandse woord 'barbeel')

    baie

    (bijw.) erg, zeer; vaak; (telw.) veel
    ("Ek het baie geslaap" / "Ek voel baie ongelukkig" / "Baie veel mense gee nie om vir omgewingsbewaring nie.")
    Opm.: veel wordt alleen gebruikt als het beheerst wordt door baie of te. Dus erg veel is in het Afrikaans 'baie veel' en niet 'baie baie', en 'te veel' is gewoon 'te veel'.

    'Zo veel' is daarentegen 'so baie', tenzij je er een stellende trap (van vergelijking) mee wilt uitdrukken:
    "Ek dink so baie aan ons samensyn in Clifton..."
    "Daar is so baie mense op die Strydomplein vandag."
    (soms hoor je hier ook so veel)

    Maar:
    "As 'n volk het ons net so veel reg op selfbeskikking as ander volke."
    "Probeer so veel as moontlik om jou waardigheid te behou."

    bakgat (gemeenz.)

    erg goed ("dit gaan ~ " = Het gaat erg goed)

    bakkie

    pick-up truck (kleine vrachtwagen met open bak)

    baklei

    op de vuist gaan

    baljaar

    spelen, huppelen

    bandopnemer

    cassetterecorder

    bankfooie

    bankkosten

    banknoot

    bankbiljet

    bankrot

    failliet, bankroet

    bankstaat

    dagafschrift van de bank

    battery

    accu, batterij

    beampte

    ambtenaar

    bed

    bed, bedding

    bedanking

    dankbetuiging, ontslag

    bedanking inhandig

    ontslag nemen

    bederf, bederwe

    bederven; verwennen
    (vgl. 'verpes')

    bedlêend

    bedlegerig

    bedorwe brokkie

    verwend kind

    beenaf

    verliefd
    ("Sy het beenaf op hom geraak" = Zij werd verliefd op hem)
    (vgl. pootuit)

    bees

    koe
    (vgl. 'gogga' en 'dier')

    beesvleis

    rundvlees

    beet

    bieten

    beetslaai

    bietensalade

    beethê

    beethebben, vasthebben

    befoeterd

    slecht gehumeurd

    bekendstel, bekend stel

    introduceren

    bek-af, bekaf

    teleurgesteld, verontwaardigd, moe

    bemarking

    marketing

    bêre

    opbergen, sparen
    (vgl. 'stoor')

    bêrekopie

    soort afbetaling

    besering

    bezering, verwonding, blessure

    besig

    druk, bedrijwig

    besigheid

    zaak, handel

    besigheidsman

    zakenman

    besigheidsure

    openingstijden

    beskinder

    belasteren

    besoedeling

    verontreiniging
    (vgl. 'omgewingsbesoedeling')

    bestelling

    afspraak

    bestuur

    besturen, rijden
    (motor bestuur = auto rijden

    bestuurder

    bestuurder; manager

    bestuurderslisensie

    rijbewijs

    beursie

    portemonnaie

    bewaringsbewus

    milieubewust
    (vgl. 'omgewingsbewaring')

    bewertjie, bewertjies

    trilgras: Europese grassoort met hartvormige aartjes (geslacht Briza)

    bielie

    super; kanjer

    biesies

    bies, rus (biezen van het geslacht Junca)
    (uitdr. 'dat die biesies bewe'= 'als een tierelier')

    'n bietjie

    een beetje, eventjes
    ("Ek gaan so'n bietjie kook" = Ik ga even koken)
    Opm.: Abusievelijk zegt - en schrijft - men vaak 'bietjie', zonder het onbepaald lidwoord.

    bilharzia

    ziekte door larven in rivierwater

    biltong

    gedroogd rund- of wildsvlees dat men in lappen of in kleine stukjes koopt en vervolgens met een biltongmesje eet (traditioneel Boere-eten!)

    binnenhuisversierder

    binnenhuisarchitect

    bitterappel

    doornachtige nachtschadestruik met blauwe bloemen, gelobde bladen en grote, kogelronde, olijfgroene, harde bessen (sodomsappel): dit is een notoir 'onkruid' (Solanum sodomaeum)

    blaai om (b.o.)

    zie ommezijde

    blaarslaai

    sla

    blameer (vaak als anglicistische constructie 'iets op iemand blameer')

    de schuld geven aan
    ("Blameer dit op Apartheid!" = Geef Apartheid maar weer de schuld!)

    blaps

    flater, vergissing

    blatjang

    zoet-zure saus met azijn,abrikozen etc., i.e. chutney

    bles

    kaal
    (vgl. 'kaal' en 'haarloos')

    bleskop

    kaalhoofdig

    blikemmer tussenw.

    lieve hemel!, sodeju!

    blikoopmaker

    blikopener

    bliksem

    zn bliksem, deugniet, snuiter; ww iemand slaan, meppen
    ("Ek gaan jou bliksem as jy nie ophou nie!")
    (vgl. 'blikskottel', 'foeter' en 'donner')

    blikskêr

    blikopener

    blikskottel

    deugniet

    blindings

    rolgordijnen; jaloezieën: 'luxaflex'

    blits

    weerlicht, lichtflits

    blits- (woorddeel)

    flits-, snel-, vlug-

    blitsverkoper

    bestseller

    blitsvinnig

    heel snel

    bloeddoortapping

    bloedtransfusie

    bloei

    bloeden
    (vgl. ww. 'blom')

    bloekomboom

    eucalyptussoort uit Australië (>'bluegum tree', Eucalyptus globulus uit Zuid-Australië en Tasmanië)

    Bloemies, Bloem (gemeenz.)

    Bloemfontein

    blokkiesraaisel, blokraai

    kruiswoordraadsel

    blokkiesvloer

    parketvloer

    blom zn.

    bloem

    blom ww.

    bloeien
    (vgl. 'bloei')

    blombedding

    bloembed, perk
    (vgl. 'bed')

    blomkool

    bloemkool

    bloot

    slechts, ronduit, alleen maar
    (vgl. kaal)

    bo

    boven

    bobaas

    zn de allerbeste; bijv nw top-, super-
    ("Op hierdie CD sal jy vanjaar se bobaas treffers vind." = Op deze CD vind je de allerbeste hits van dit jaar / "Ons verkoop net bobaas braaivleis." = Wij verkopen alleen top-barbecuevlees / "Boerbone is bobaaskragkos" = Tuinbonen zijn top-krachtvoer)

    bobbejaan

    baviaan

    bobotie

    eenpansmaal met vlees en kerrie, van Indiase oorsprong

    boeglam (jou ~ skrik)

    zich kapotschrikken

    boekenhout

    boomsoort (Faurea saligna)
    (>dial. Ned voor 'beukenhout', omdat de boom op de Europese beuk lijkt)

    boeke merk

    schriften nakijken

    boekevat

    huisgodsdienstoefening

    boekrak

    boekenplank, -kast

    boep, boepens

    dikke buik

    boerbone

    tuinbonen

    boerdery

    het boeren, een agrarisch bedrijf runnen

    boer(e)beskuit

    harde, uitgedroogde beschuit

    boerekos

    traditionele plattelandse gerechten

    boereplaas

    boerderij

    boererate

    huismiddeltjes

    boereverneuker (plat)

    oplichter, matennaaier

    boerewors

    speciale verse worst, o.m. met kruidnagelen, voor de braai

    boet, boetie

    broer(tje), ventje, (amicaal, schertsend) vriendje

    boetebessie (gemeenz.)

    vrouwelijke parkeerwachter

    bog

    onzin

    boggom / bôgom

    geluid / roep v.e. baviaan

    bohaai

    lawaai, ophef

    bokant

    boven, aan de bovenkant van
    (Vgl. 'anderkant', 'duskant', 'oorkant')

    bokkem

    op bokking gelijkende vis
    ("'n Lekker bossie bokkems" = Een lekker zooitje bokking)

    bokkie

    geitje, bokje; (gemeenz.) meisje, grietje

    bokmakierie

    geelgrijs zangvogeltje waarvan de roep op "bokmakierie!" lijkt: Telophorus zeylonus

    boks

    zn.doos; ww. boksen

    Boland

    deel van de Kaapprovincie (ook Westelike Provinsie genoemd)

    bolla

    haarknot

    bollemakiesie

    koprol
    ("Bollemakiesie slaan / maak" = een koprol maken)

    bolyf

    romp

    bontspring

    uitvluchten zoeken

    bontstaan

    hard werken

    boom

    boom; wiet
    ("Jy lyk sleg; het jy die naweek dalk te veel boom gerook?" = Je ziet er slecht uit; heb je dit weekend soms te veel wiet gerookt?)

    boonop

    bovendien

    boontoe

    naar boven toe

    bo-op

    bovenop

    bo-oor

    boven over heen

    boord

    boomgaard

    boorgat

    waterwel

    boos

    boos, euvel, verdorven
    ("Ek is boos vir jou" = "Ik ben boos op jou" / "Om Satan te volg is 'n bose daad" / 'Ons veg nie teen vlees en bloed nie, maar teen die Bose').
    Vgl. 'kwaad', 'kwaai', 'vies'.

    bootry

    bootje varen

    borg zn. (mv. borge); ww

    zn. sponsor (mv. sponsoren); ww sponsoren
    ("Ons supermark borg die dorp se wedloop" = Onze supermarkt sponsort de hardloopwedstrijd van het dorp / "Ons soek borge vir die wedloop" = We zoeken sponsoren voor de wedstrijd)

    borrie

    koenjit / kurkuma / geelwortel

    bors

    borst (in alle betekenissen)
    ("Ons sing die volkslied uit volle bors")

    borslappie

    slabbetje

    borsspeld

    broche

    bosberaad

    bepaalde vorm van brainstormen

    bossie

    struikje, kruid, bosje, zooitje (vis)
    Opm.: bossies zijn ook een bepaalde soort vegetatie, bestaande uit kleine, geharde struikjes met heel fijne takjes die in de droge, aride gebieden leven. In de Karoo, op het Hoëveld en elders vindt men bijvoorbeeld het kankerbossie, kakiebos, ag-dae-geneesbos; kleine plantjes die houtig zijn om tegen het harde klimaat bestand te zijn.

    bossies ( ~ uittrek)

    onkruid (wieden)

    bossiestee

    rooibostee

    bosvark

    penseelzwijn (gedrongen soort inheemse zwijnachtige; Potamochoerus porcus)
    (vgl. 'vlakvark')

    Bosveld

    Noord-Transvaals landschap
    Dit landschap wordt gekenmerkt door hoog gras met schaarse groei van bomen, waar grootwild graast. Bomen die er groeien zijn Acacia erioloba (kameeldoring), Acacia luederitzii (baster-haak-en-steek), Boscia albitrunca (witgatboom) en Terminalia sericea (vaalbos).

    bot

    bot (bijv. nw.)
    (vgl. 'been')

    bottel

    fles

    bottelstoor

    slijterij
    Opm.: i.p.v. het anglicistische bottelstoor zegt men liever drankwinkel)

    botter

    boter

    botterblom, botterblommetjie

    soort gazania (Gazania krebsiana)

    botterbroodjies (skons)

    scones

    boud(e)

    bil(len)

    bougenootskap

    bank voor huisleningen

    bra bijw.

    nogal; eigenlijk; weinig
    ("Die aantal reaksies is bra beperk" = Het aantal reacties is nogal beperkt)

    bra zn.

    beha

    braaf

    dapper

    braai(vleis)

    barbecue

    braaivleisaand

    barbecue-avond

    brak(kie)

    (bastaard)hond

    brakkiesbakkie

    doggie bag

    branderplank

    surfplank

    branderry

    surfen

    bredie

    stoofpot, vaak met suring (klaverzuring: Oxalis)bereid

    breekgoed

    servies

    brein

    hersenen (van mensen)
    (vgl. 'harsings')

    breinvliesontsteking

    hersenvliesontsteking

    briek

    zn. rem; ww. remmen
    ("Briek aandraai" = Op de rem trappen, afremmen)

    broei

    broeien, broeden
    ("'n Groot storm broei by die kus" = Er dreigt een storm bij de kust / "Papegaaie broei nie maklik nie" = Papegaaien broeden niet makkelijk)

    broeikas

    couveuse

    broeikasbaba

    couveusekind

    broekiekouse

    panties

    broerskind

    neef, nichtje

    bromfiets

    brommer, motorfiets
    (Vgl. 'brommer')

    brommer

    bromvlieg
    (Vgl. 'bromfiets')

    bromponie

    scooter

    brug - brûens

    brug - bruggen

    brug ( ~ speel)

    bridge spelen, bridgen

    bruismeel

    zelfrijzend bakmeel

    buite-

    buiten- (als voorvoegsel)
    Opm.: Net als in het Nederlands schrijft men in het Afrikaans het woord buiten mét n (men spreekt er deze n ook steevast uit!), en ok zonder n. Maar in woordverbindingen vervalt de n steeds. Zie hieronder, bijv., bij buitemuurs, en vergelijk het lemma buiten, buite.

    buitemuurs

    deeltijds (student), extraneus

    buiten, buite

    buiten
    (Vgl. 'buite-')

    buiten vir

    behalve, buiten
    Dit is eigenlijk een anglicisme (except for), en het wordt als volgt gebruikt: "Buite vir my, is daar niemand wat omgee vir 'n eerlike debat nie." = Buiten mij is er niemand die iets om een eerlijk debat geeft.

    buitepasiënt

    poliklinische patiënt

    bul

    stier
    'Stier' wordt in het Afrikaans gebruikt om er het gelijknamige sterrenbeeld mee aan te duiden)

    bulk

    loeien

    byderhand

    bij de hand, dichtbij
    ("In hierdie baie onveilige stad hou ek my pistool byderhand.")

    byderwets

    modern, eigentijds

    by die huis

    bijw. thuis

    bykomstighede

    accessoires

    byt

    beet
    ("Byte van insekte kan gevaarlik wees" = Insectenbeten kunnen gevaarlijk zijn)

    D

     

    daai

    (gemeenz.) die, dat
    ("Daai ou is darem 'n lelike ding!" = "Die gozer is toch lelijk!")
    Vgl. 'daardie' en 'dié'

    daardie (aanw.vnw)

    die, dat
    (vgl. 'daai', dié' en 'hierdie')

    daar's hy, dankie

    alstublieft (bij het aangeven van iets)

    dadelbrood

    dadelkoek

    dadelik

    meteen, gelijk
    Opm.: In het Nederlands betekent dadelijk tegenwoordig 'straks'. Gebruik voor het Nederlandse 'dadelijk' het woord 'netnou', ''n bietjie later', en om het nog gezwinder te maken 'nou-nou'.

    dagboekie

    agenda

    dagbreek

    dageraad

    dagga

    hasj
    Opm.: De in Zuid-Afrika groeiende lipbloemige Wildedagga (Leonotis Leonurus, ook duiwelstabak genoemd) is niet verwant aan de ons beruchte wietplanten van het geslacht Cannabis. Met zijn mooie, oranje, buisvormige, viltige lipbloemen is Leonotis leonurus een heester die eerder aan een enorme dovenetel of salie doet denken. Hij wordt gebruikt als traditioneel medicijn tegen koorts, hoofdpijn, hoesten en dysenterie.

    dagha

    specie, aangemaakte cement

    dagsê

    goedendag

    dagsorgsentrum

    crèche

    dalk

    misschien
    Opm.: 'dalk' verschilt soms in betekenis van 'miskien' omdat het vaak bij verzoeken gebruikt wordt. 'Dalk' komt voort uit het Nederlandse woord 'dadelijk'
    (vgl. 'dadelik')

    dam

    stuwmeer, meer

    damwal

    dam

    dan en wan, af en toe

    af en toe
    (Zie verder bij 'elke dan en wan')

    dankie

    dank U, dank je wel

    deftig

    netjes
    ("Julle Hollanders praat altyd so deftig!" / "Vanaand is ons almal deftig geklee in 'n donker pak met 'n wit hemp en 'n wit das")

    deken

    sprei
    (Vgl. 'kombers' en 'duvet').

    delg

    aflossen (van schuld of zonde)
    ("Hoe kan ek my skuld delg as ek werkloos is?")
    Vgl. 'skuld' en 'opdok'.

    derduisende

    vele duizenden

    derduiwel

    plaaggeest, duivel

    derms

    darmen

    deur

    deur zn; door voorz.

    deurmekaar

    door elkaar, in de war, verward, ver heen (bijv. van drank)
    ("Ek raak heeltemal deurmekaar as jy aanhou Afrikaans met Hollands meng" = "Ik raak helemaal in de war als jij het Afrikaans met het Nederlands blijft mengen").

    deurmekaarspul

    chaos

    deurentyd(s)

    steeds

    die

    de, het
    ("Die meisiekind, die ou, die vrou, die voël, die land" = "het kleine meisje, de jongen, de vrouw, de vogel, het land").
    Vgl. 'dié'

    dié

    die, dat (als verwijzing naar iets dat je eerder genoemd hebt)
    ("In Suid-Afrika koop selfs die ouderlinge op Sondag die koerant. Dié dag is by Nederlandse christene egter by uitstek die dag van rus en geloof.")

    dié: dit is ~ dat...

    daarom
    ("Vandag sal dit mooiweer en warm wees. Dit is dié dat ek 'n sambreel saamgebring het." = Vandaag zal het zonnig en warm zijn. Daarom heb ik een parasol meegebracht.")

    Die Baai (gemeenz.)

    Port Elizabeth

    Die Kaap (gemeenz.)

    Kaap de Goede Hoop

    Die Paarl (spr. 'die pêrel')

    Paarl (dorp in de Westkaap, vernoemd naar de ronde, glinsterende heuvel op het gemeentelijke grondgebied)

    dier

    beest, dier

    dik

    dik (v. muren, enz); vol (na gegeten te hebben)
    ("Wil jy nog aartappels?" "-Nee, ek is dik, dankie")

    dikwels

    vaak, dikwijls

    dinee

    diner
    (vgl. ete)

    dinkskrum

    denktank

    disnis

    duizelig, erg ver heen, 'lam', 'gek', etc.
    ("ek skrik/lag my disnis!" = ik schrik/lach me rot! "Ek hardloop my disnis" = ik ren tot ik een ons weeg. / "Ek eet my disnis" = ik eet me lam/gek/ etc, etc.)
    Vgl. 'boeglam', 'deurmekaar'

    doek(ie)

    doek; luier

    dog / gedog

    dacht / gedacht / vermoeden gehad hebben

    dogter

    (jong) meisje, dochter

    dolosgooi

    waarheidszegging door op de grond gegooide botjes te bekijken

    dom-astrant, domastrant

    eigenwijs en brutaal

    domkrag

    krik

    donderstorm

    onweer

    donga

    droge beekbedding, diepe sloot, diepe gleuven en gaten in grond door erosie of heftige regenval
    (soms worden zulke gleven en gaten in de grond 'geute' genoemd)

    donkie

    ezel

    donkiewerk

    sleurwerk

    donner

    zn. donder, deugniet, snuiter, (geen) zier; ww slaan, rammen, vallen ('donderen'); tussenw verdomd, verdomme
    ("Ek gee geen donner om nie" = Het kan me geen donder/zier schelen / "Hoor die donner in die lug." = Hoor de donder in de lucht / "Waar is die donner nou?" = Waar is die snuiter nou?

    dood - dooie

    dood - dode

    doodmaak

    doden, vermoorden

    doodtrek

    doorstrepen

    door

    dooier
    (vgl. 'deur')

    doos (plat)

    idem, sukkel, halve gare, enz.
    ("Jou doos!" = Jij Sukkel!)

    dop

    neut, borrel; dop
    (vgl. 'regmakertjie', 'sopie', 'neut' en 'voggies'

    dophou

    in de gaten houden

    Dopper

    lidmaat van de Nederduitsch Gereformeerde Kerk

    doring

    doorn; 'geweldenaartje'
    ("Jou doring!" = Je bent een engel! / Wat een geweldenaar! / Goed van jou!)

    doringboom

    'doornboom' (meestal bomen van het geslacht Acacia e.d.)

    doringdraad

    prikkeldraad

    dorp

    dorp, gemeente, woonplaats
    Opm.: Bij het invullen van formulieren wordt niet altijd naar woonplek gevraagd, maar naar dorp. Dit betekent in dit geval hetzelfde.

    douvoordag

    voor dag en dauw
    Vgl. 'kniediepvoordag'

    draad trek (plat)

    zich aftrekken

    draadsitter

    iemand die geen kant kiest

    draai

    zn.bocht, draai; ww.draaien

    draai loop

    toilet bezoeken
    ("Moenie in die bos draai loop nie." = Niet je behoefte in het bos doen)

    draai maak

    bezoeken
    ("Kom maak gerus 'n draai as jy in Suid-Afrika is.")

    draf

    hardlopen; joggen

    drif

    doorwaadbare plaats in de rivier

    drip

    infuus

    droesel

    droesem

    droë vrugte

    gedroogde vruchten

    dronk

    dronken; (zn.) dronk

    dronkgat (plat)

    dronken, bezopen

    dronkslaan

    verbijsteren

    droogmaak

    verbrouwen

    droogskoonmaker

    stomerij

    druip

    druppelen; zakken (voor examen)

    druiwe

    druiven

    druiwekorrel

    druif

    druk

    zn. stevige omarming; ww. stevig omarmen (Eng. 'to hug')

    drukkie

    korte omarming ter hartelijke begroeting

    Opm.: In Zuid-Afrika omarmt men elkaar aldus vaker dan in de Nederlanden; bij een weerzien of een afscheid voor langere tijd omarmen mannen vrouwen en vice versa (bekenden, vrienden, verre familie) elkaar, ook als er geen heftige emoties bij komen kijken.

    drukspyker

    punaise
    (Vgl. 'duimspyker')

    drumpel

    drempel, dorpel

    duet

    twee huizen onder een kap

    duiker

    duiker: zeer kleine antilope (van het geslacht Cephalophus)

    duikweg

    tunnel, viaduct

    dryf

    besturen (auto, paardenwagen); drijven; (be-)drijven
    ("'n Besigheid dryf" = Een zaak drijven)

    duimgooi/duimry

    liften

    duimspyker

    punaise

    duitse masels

    rode hond

    duskant

    deze kant, deze zijde; aan deze kant, aan deze zijde
    ("Duskant het ons nie sulke probleme nie" = Aan deze kant (van de oceaan) hebben we niet zulke problemen / "Duskant die rivier." = Aan deze kant van de rivier.)
    (vgl. 'anderkant', 'oorkant')

    duvet

    dekbed

    duwweltjie, dubbeltjie

    doorgaans twee plantensoorten (Emex australis en Tribulus terrestris) die in het gras groeien en stekelige, harde vruchten hebben die, wanneer erop getrapt, in voeten en poten blijven zitten (zeer pijnlijk)

    dwelmmiddels

    drugs

    dwelms

    drugs

    E

     

    ê; eg

    eg (mv. êe) (zelfst.nw.)

    êe, eg

    eggen (ww.)

    eeld

    eelt

    eetplek

    restaurant

    eetsalon

    restauratie (trein)

    effens, effentjies

    een beetje, net, lichtelijk
    ("Hierdie boek is effens beskadig" / "Die Rand kan teen die einde van die jaar effens styg" / "Ons peusel effens, en dan gaan ons waai" = We eten eventjes (een beetje) en dan gaan we ervandoor.)

    eiendomsagent

    makelaar in onroerend goed

    eier (mv. eiers)

    ei (mv. eieren)

    eina!

    tussenw. au!

    eindpuntgebou

    terminal

    eksie-perfeksie

    fantastisch, geweldig

    ekskuus (tog) / 'skuus (tog) / askuus (tog)

    sorry, pardon

    eland

    grote antilope (Taurotragus oryx)

    elke dan en wan

    zo af en toe
    Opm.: Toevoeging van het woord 'elke' bij dit soort woordgroepen wordt als anglicistische invloed beschouwd ('every now and then'). Men kan ook volstaan met dan en wan en af en toe.

    enigeen

    een ieder; wie dan ook
    ("Moenie dat/lat enigeen vir jou ore aansit nie!" = Laat je niet door wie dan ook overtroeven!)

    enjin

    motor (spr 'enjin' als [℮ndzj∂n]

    enkelouer

    alleenstaande ouder

    era

    tijdperk
    (Vgl. 'tydperk' voor verdere uitleg)

    erd-, erde-

    aard-, aarde- ('erdewerk', 'erdvark')

    erdvark

    aardvarken
    Opm.: geen varken of zwijn, maar een Afrikaans dier dat holen graaft en 's nachts tevoorschijn komt en op termietenjacht gaat. Doet aan miereneter denken, heeft lange snuit met heel kleine bek aan uiteinde; heeft holle tanden en een lange, beweeglijke tong waarmee hij in termietenheuvels peurt. Net als de mol brengt hij met zijn gegraaf schade toe aan het boerenland, tot ergernis van de boeren. Het is onbekend aan welke zoogdiersoorten het aardvarken verwant is: Orycteropus afer)

    erdwolf

    aardwolf
    (soort bruine, grote hyena: Proteles cristatus)

    erdwurm

    regenworm, aardworm

    êrens

    ergens
    Vgl. 'iewers'

    ete

    ertjie

    erwt

    ete

    diner, avondeten
    (vgl. 'dinee', 'wegneemete')

    F

     

    fees

    festival
    (Vgl. 'partytjie')

    fiemies

    kuren, lastig gedrag
    ("Hy is vol fiemies")
    (vgl. 'skeet')

    fietsry

    ww. fietsen

    fisant

    fazant

    flenters

    flarden, flenters
    ("aan flenters" = aan flarden, aan flenters)

    flerrie

    zn. losbol, een liefje, een flirt (gezegd van een meisje); ww. flirten

    fles

    flacon, thermosfles
    (vgl. 'bottel')

    fliek

    bioscoopfilm
    ("Gaan fliek" = Naar de bioscoop gaan)

    flieksaal

    bioscoopzaal

    flikkerlig

    richtingaanwijzer

    flits

    zn. zaklantaarn; ww. flitsen

    flou

    futloos, flauw (flou val, 'n flou-ogige man).
    Vgl. 'laf'.

    flous

    voor de gek houden, plagen

    foeter

    slaan
    (vgl. 'befoeterd')

    fok (plat)

    geslachtsgemeenschap hebben
    (Vgl. 'neuk' en 'naai').

    fokol (plat)

    niks, geen zier, noppes, 'geen fuck'
    ("Ons het fokol geld." / "Ek voel fokol.")

    fondament

    achterwerk

    fooi

    honorarium, wettelijk verschuldigde gelden

    fooitjie

    fooi

    fotostaat

    fotokopie

    fraiing

    franje; pony (haar)

    frikkadel

    bal gehakt

    fris

    stevig (van lichaamsbouw), potig; levendig; fris

    frokkie

    mouwloos hemd (dat men onder kleren draagt).
    (Vgl. verder 'T-hemp' en 'hemp'.)

    fudge

    soort brokkelende snoep in blokjes gesneden, die aan toffee of caramel doet denken

    funksie

    functie; receptie, feestje, plechtigheid

    G

     

    gaaf

    plezierig, vriendelijk
    ("Sal jy dalk so gaaf wees om vir my hierdie gunsie te doen?" = Zou je misschien zo vriendelijk willen zijn om mij deze gunst te doen?)

    (gaan) bad

    zn. bad; ww. (gaan ~ ) een bad nemen
    (Vgl. baai)

    galeiproef

    drukproef van een onopgemaakte pagina

    garing

    garen

    gars

    gerst

    gastekamer

    logeerkamer

    gat (plat)

    achterwerk
    Opm.: 'gat' wordt overal gebruikt als krachtterm.

    gatkruiper (plat)

    slijmbal, iem. die graag witte voetjes haalt bij anderen

    gatlekker (plat)

    slijmbal, iem. die graag witte voetjes haalt bij anderen

    gedaan

    kapot, erg moe; op; gedaan; afgelopen
    ("Ek is gedaan vir hierdie werk!" = Ik ben te moe voor (heb het gehad met) dit werk! / "Knap gedaan!" / "Goed gedaan!" / "Gedane sake het geen keer nie." / "Dit is makliker gesê as gedaan." / "So gesê, so gedaan." / "Bange vrae het in sy gemoed opgekom: is dit nou gedaan met die HERE se verbondsliefde en genade?" Psalm 77:8)
    Opm.: 'gedaan' is een sterke, verbogen vorm van het werkwoord doen. Normaliter zegt men 'gedoen', maar in dergelijke vaste uitdrukkingen komt de oude, Nederlandse vorm 'gedaan' terug.

    gedurig

    steeds

    (geel)wortel

    koenjit, curcuma
    (Vgl. 'borrie')

    geil

    welig, vruchtbaar

    geitjie

    gekko (verscheidene hagedissoorten met zuignappen aan tenen)

    gekonfyt

    goed op de hoogte van ...

    gek skeer; die gek skeer met

    de draak steken met

    gemaklik

    gerieflijk, naar je zin

    gemeenskap hê

    gemeenschappelijk godsdienst hebben

    gemeente

    gemeente (alleen van kerk)

    gemmerbier

    ginger ale; gemberbier

    gemors

    narigheid, zooitje; onzin

    genadedood

    euthanasie

    geneul

    gezeur

    geniepsig

    geniepig pijn doend; geniepig
    ("Ek het my voete geniepsig in die Kalahari-son gebrand." / "Jou skoonma is 'n geniepsige vrou sonder humor.")

    genugtig!

    uitroep van verbazing, beïndrukt zijn

    gerook

    stoned

    geselligheid

    gezelligheid; feestje

    gesels

    converseren, babbelen

    geselsie

    praatje, babbel

    geselstaal

    gewone, alledaagse spreektaal

    gesiggies

    viooltjes (bloemen, Viola spp.)

    gesiggestrem

    visueel gehandicapt, slechtziend

    geskinner

    geroddel

    gesog - gesogte

    gezocht, gewild, populair, veelgevraagd

    gestremd

    gehandicapt

    gesuip (plat)

    bezopen, lazerus

    geur

    smaak (toegevoegd aan consumptiewaren)

    geut

    goot

    gewerskaf

    in de weer zijn

    gewild

    populair

    gewoond raak aan

    wennen aan

    glad (nie)

    helemaal (niet)

    glips

    ongelukje

    glo

    geloven

    glo (adj.)

    naar het schijnt

    goed(jies)

    bezit, goed; dingetjes, voorwerpjes

    goed - goete

    dingen, spullen; 'enzo'
    ("Daar was kinders, hondjies, blomme en goete..." / "Jy bring vir my blomme en jy is baie lief vir my en goete, maar ek voel niks vir jou nie.")

    goeters (mw. van 'goed')

    spullen, bezit

    goël

    goochelen

    goëlaar

    goochelaar

    goëlary

    goochelarij

    gogga

    insect; ongedierte; computervirus, verborgen microfoontje in muur als afluisterapparatuur

    goggas (mv. van voornoemde)

    beesten, beestjes (als insecten, enz.), ongedierte

    goiing

    jute

    gomtor

    onbeschaafd persoon

    gordel

    ceintuur

    gou

    gauw
    ("Maak gou! Maak net gou!" = Vlug! Haast je!)

    graaf

    schep
    Opm.: 'skop' bestaat ook, maar is een in onbruik geraakt schepachtig stuk gereedschap met een groter blad dat niet gebruikt werd om te graven, maar om, bijvoorbeeld, graan op te gooien waarmee je het kaf van het koren kon scheiden

    gramadoelas

    wildernis, zeer ver weg van de bewoonde wereld

    grap

    mop, grap
    ("Ek geniet 'n grap, maar hierdie een is darem flou." = Ik houd van een mop, maar deze is echt flauw)

    grassny

    gras maaien

    grassnyer

    grasmachine

    grimering

    make-up

    groenbone

    sperziebonen

    groei

    (onovergankelijk) groeien; (overgankelijk) telen, verbouwen, kweken
    (Vgl. 'teel' en 'fok')

    grondboontjie

    pinda

    grondboontjiebotter

    pindakaas

    grondpad

    niet geasfalteerde weg

    grondvloer

    parterre, begane grond

    gru

    gruwen

    gunsteling

    favoriet (zowel zn. als bijv.nw.; voorv.: lievelings-)
    ("Jy is my gunsteling" = Jij bent mijn favoriet / "Dit is my gunsteling webblad / gunstelingwebblad" = Dit is mijn favoriete website / Dit is mijn lievelingswebsite)
    Opm.: Eigenlijk heeft dit woord syntactisch en semantisch helemaal de functie van het Engelse woord 'favourite' (dat zowel een zelfst. nw. als bijv. nw. kan zijn)aangenomen, met uitzondering van het feit dat 'gunsteling-' soms ook aaneengeschreven wordt met het zelfst. nw. (hier 'webblad'), waardoor het bijv. nw. 'gunsteling' een zelfst. nw. wordt. Een staaltje van anglicistische morfologische verwarring, dus: 'gunsteling webblad' = bijv. nw. + zelfst. nw. // 'gunstelingwebblad' = zelfst. nw. + zelfst. nw.)
    Zie ook bij 'hoof' en 'hoof-'

    H

     

    haakdoring

    mimosasoort met haakvormige doornen (Acacia litakunensis)

    haakplek

    moeilijkheid, probleem

    haakspeld

    veiligheidsspeld

    haarloos

    kaal
    (vgl. 'bles' en 'kaal')

    haarsny

    (ww.) knippen, kappen; (zn.) haarsnit; knipbeurt
    ("Een haarsny kos sewentig Rand" = Een keertje knippen kost zeventig Rand)

    hakiesdraad

    prikkeldraad

    halfmens

    grote, dikstammige, cactusvormige doornenboom met krans van kronkelige blaren bovenaan de stammen.
    Deze boom groeit in het Namakwaland / Boesmanland: Pachypodium namaquanum (familie Apocynaceae)

    halfpad

    halverwege

    handsak

    handtas

    handuit: ~ ruk

    uit de hand lopen
    ("Die situasie het heeltemal handuit geruk.")

    hanetree(tjie)

    kleine afstand; 'kippenendje'

    hang

    helling (v. berg)

    hardewarewinkel

    ijzerhandel

    hare sny

    haar knippen

    harsings

    hersens (meestal dierenhersenen - al of niet als consumptie)

    hartebees

    hartebeest (soort grote antilope, verwant aan gnoe)
    Opm.: hart- is een Nederlandse gewestelijke vorm van hert. De Boeren vergeleken het dier dus met een hert. Naast dit woord heeft in Afrika het woord hert alleen als geleerd woord bestaan, en is het vervangen door het woord takbok (zie aldaar), wat zich laat verklaren door het feit dat herten oorspronkelijk niet in Zuid-Afrika voorkomen.

    hartbeeshuisie

    eenvoudig pioniershuisje
    Opm.: Let op het ontbreken van de koppel-e: hartebees vs. hartbees-

    hartlam

    lieveling

    hartomleiding

    bypass

    hartversaking

    het ophouden van het functioneren van het hart

    hasielip

    hazenlip

    heeltemal

    helemaal

    hegsteke

    hechtingen

    hekel (spreek uit als 'hiekel')

    haken

    hekelpatroon

    haakpatroon

    hekelpen

    haaknaald

    hekkiesloop

    hordenloop

    hemp

    shirt, hemd, overhemd

    herd

    open haard, open vuur
    (vgl. 'kaggel')

    heuning

    honing

    heuwel

    heuvel
    Vgl. 'koppie'

    hiëna

    hyena

    hierdie

    deze, dit (vgl. verder 'daardie')

    hierlangs

    in de omgeving

    hings