Naar Thuisbladzijde
|
Zuid-Afrika in Diets verband - Prof. dr Geyl
![]() Prof. dr Pieter Geyl |
|
Behoort de Afrikaner samenleving, behoort de Afrikaner cultuur, tot de gemeenschap der Dietse volken? De onderlinge verhouding van Vlaanderen en Holland is zeker anders dan die van een van beide en Zuid-Afika. Maar een gemeenschap als waarvan ik spreek, laat velerlei mogelijkheden toe. Geschiedenis en geografische ligging vormen een samengesteld resultaat. Als men over nationale gevoelens of nationale verhoudingen spreek, moet men niet met vaste normen en enkelvoudige begrippen aankomen. Er ligt aan de Dietse verwantschap één groot feit ten grondslag: de taal. Afkomst, historische verbondenheid, dat wil zeggen feitelijke, staatkundige verbondenheid in het verleden, - dat zijn factoren die meetellen wanneer eenmaal de levende gemeenschap in het heden nog bestaat, en die kan in ons geval aan niets anders dan aan taalgemeenschap ontspringen. Of moet ik zeggen: taalverwantschap? Want het Afrikaans is een zelfstandige taal, en als ik onderscheid maak tussen de positie van de Afrikaners en die van twee andere volksgroepen in ons Diets verband, dan is het niet in de eerste plaats omdat zij aan de andere kant van de aardbol wonen (ofschoon dat zeker veel betekent), maar omdat hun taal zich van het Nederlands van de twee Europese groepen losgemaakt en een eigen ontwikkeling ondernomen heeft. In de jaren dat de Afrikaners voor de zelfstandigheid
van hun taal tegenover de onze strijden moesten, nog geen generatie
geleden, richtte hun jong nationalisme juist tegen ons soms een
scherpe punt. Met wat een verzengend sarcasme noemde Langenhoven allen
die nog aan de band met het Nederlands gehecht bleven, "Dietse
Sappen"! Hij zou zeker op de vraag naar Zuid-Afrika's plaats in het
Diets verband driftig geantwoord hebben dat het met dat noch enig
ander verband ter wereld iets te maken had. Volstrekte
zelfstandigheid, daar ging het voor hem om, en hij en zijn tijdgenoten
hadden onder de heerschappij van het school-Hollands en van de
Hollandse schoolmeester zo geleden, zij moesten juist tegen die
aanspraken zo hard vechten, dat niets begrijpelijker is dan dat zij
ons ongeduldig uitnodigden om ons net zomin meer met hen te bemoeien
als zij het zich met ons dachten te doen. Wat de Nederlanders betreft, die konden het opkomen
van de nieuwe taal ten koste van de heerschappij van hun eigen
Nederlands indertijd ook niet zonder "gevoeligheid" aanzien. Men
herinnert zich de raad die Carel Scharten aan Afrikaner dichters gaf,
om liever in het engels te dichten dan in zo'n kinderachtig taaltje.
Dat was ook toen wel extreem, en toch was het tegelijkertijd wel
degelijk typisch. Nu zal geen Hollander of Vlaming licht meer tot een
dergelijke prikkelbare laatdunkendheid tegenover het Afrikaans
vervallen. De tijd heeft ook hier zijn werk gedaan. Men is gewend aan
het bestaan van het Afrikaans als de taal van Hollands Zuid-Afrika,
men aanvaardt het als een natuurfeit. En men kan de verhouding dus ook
onbevangen bekijken. Zo in het abstracte zullen, geloof ik, op dit
ogenblik weinig Afrikaanse intellectuelen de neiging gevoelen om tegen
mijn redenering in het verzet te komen. Een nationalisme dat zich met
alle geweld binnen de eigen kring zou willen opsluiten en verkeer met
de rest van de wereld mijden, kan onder hen niet aarden. Zij zijn er
niet minder goede nationalisten om, maar zij gevoelen juist sterk de
behoefte aan voortdurend, levend contact met het Europese denken en
voelen. Dragers van de Europese traditie in die verre hoek van Afrika,
dat te zijn is hun trots, en dat die traditie, met behoud van haar
nationale eigenheid, gedurig aan haar oorsprong gevoed moet worden,
daarvan zijn zij zich heel scherp bewust. Maar practisch gesproken
bedienen zij zich voor de verbinding met de Europese cultuur van het
Engels. Op zichzelf kan geen verstandig mens daar iets op tegen
hebben: waarin zouden de Afrikaners een zo prachtig en doeltreffend
werktuig versmaden? Maar wie de toestanden daarginds kent, weet dat
hier gevaren aan verbonden zijn. Zonder het zelf soms op te merken
leren goede Afrikaners de wereldcultuur dikwijls al te uitsluitend met
Angelsaksische ogen te zien. Ofwel hun Afrikaner cultuur blijft iets
aparts, iets voor gebruik op nationale feestdagen om zo te zeggen, en
iets intiems, terwijl voor de wereld van de geest en voor de wereld
van arbeid en techniek het Engels dient; ofwèl, erger nog misschien,
hun Afrikaner cultuur wordt van Engelse begrippen en hun Afrikaanse
van Engelse termen en wendingen doordrongen. Theoretisch, zeg ik nogmaals, geloof ik dat deze
denkbeelden in Zuid-Afrika niet veel bestrijding zullen ondervinden.
Niet alleen zijn, zoals ik al opmerkte, het wantrouwen en de
prikkelbaarheid ten opzichte van de Hollanders en het Nederlands
daarginds vrijwel verdwenen, maar de betekenis van het verband wordt
ook positief meer en meer erkend. De redenering dat men de Afrikaner
cultuur toch niet in 1875 moet laten beginnen, dat men toch werkelijk
een ouder en een rijker verleden heeft, dat men zichzelf schade doet
door die schatten weg te werpen of te verwaarlozen, wordt aan alle
kanten gehoord. Opwekkingen om meer Nederlands te lezen worden met
instemming begroet. De vraag blijft, of er voldoende gedaan wordt om
de praktijk met die theorie in overeenstemming te
brengen. |
Toelichting Zoals gebruikelijk was voor de tijd vóór de Duitse
Bezetting, gebruikt Geyl de term Diets in plaats van
Heel-Nederlands. Beide bijvoegelijke naamwoorden willen niets
anders zeggen dan dat iets betrekking heeft op die landen en streken
waar hoofdzakelijk een vorm van het Nederlands wordt gesproken. Het
Afrikaans en de Afrikaners zijn door hun gemengde afkomst niet
expliciet Diets te noemen, maar ze hebben weldegelijk een Dietse
oorsprong en hun taal is vrijwel volledig Diets. Met het handig omvormen van de connotatie van 'Diets'
als 'West-Germaans' tot 'Arisch', was de culturele Anschluss
compleet. |
|
Is het zelfs nu sterk en algemeen genoeg om te bewerken dat de duizenden Nederlandse landverhuizers, die zich in de laatste jaren in Zuid-Afrika neergezet hebben, hun roeping tegenover de Dietse gedachte - elk in zijn kring en op de natuurlijkste, bescheidenste wijze: ik denk volstrekt niet aan propaganda - steeds vervullen? Toch is er in dit opzicht wel degelijk iets veranderd. Zelfs de Nederlandse regering, die vroeger op het engste staats-standpunt placht te staan en van de stamgedachte een angstige afschuw had, schijnt tegenwoordig bereid te zijn om cultuurwerk op de grondslag van die gedachte te steunen. Een zwakheid aan deze kant is nog, dat men van de moderne Afrikaanse letterkunde en cultuurbeweging in het algemeen te weinig notitie neemt. Ook daar worden trouwens wel pogingen tot verbetering in het werk gesteld, en daar zal op den duur de regering, als het haar ernst is, allicht het meeste kunnen doen. Maar voor de Afrikaners kan, als ik het wel zie, wat
Nederland doet of laat, de doorslag niet geven. Zij hebben voor hun
eigen zelfstandige ontwikkeling de Nederlandse cultuur nodig. En dan
is het natuurlijk een zaak van betekenis, dat de Nederlandse cultur
tegenwoordig niet enkel meer op Holland rust: ze heeft door de
ontwakening van Vlaanderen een bredere grondslag gekregen. In sommige
opzichten moet de band met Holland, het eigenlijke stamland, en waar
de godsdienst vandaan komt, nauwer blijven; maar in het jonge,
nationaal-bewuste van Vlaanderen, dat ook zijn strijd heeft moeten
voeren, zitten voor Zuid-Afrika juist waardevolle en aantrekkelijke
elementen. In ieder geval: de wens moet van Zuid-Afrika uitgaan en
Zuid-Afrika moet de inspaning doen, in zijn eigen belang, om het Diets
verband tot een realiteit te maken. En, zei ik, het doet niet
genoeg. Bij de grote hervorming van nog maar een twintigtal
jaren geleden, toen het Afrikaans als voertaal de plaats van het
Hollands kwam innemen, is het beginsel van de onverbrekelijke
verbondenheid van Afrikaans en Hollands wel erkend. Aan de
universiteiten wordt het ook bij de studie van het Afrikaans in
praktijk gebracht. Maar op de scholen is de praktische toepassing van
het begin af ongelukkig geweest, en ofschoon daarin sedert kort wel
enige verbetering is gekomen, dat is toch altijd nog het punt waar het
aan hapert. Ik geloof niet dat ik overdrijf, wanneer ik zeg dat op de
meeste scholen (en ik bedoel Afrikaans-medium-scholen) het Hollands in
de Afrikaanse les aan de kinderen vrijwel zonder resultaat
voorbijgaat. Dat komt doordat de behandeling te zuiver letterkundig is
en zonder voldoende voorbereiding geschiedt. De twee talen staan zo
dicht bij elkaar; het zou mogelijk zijn om Afrikaner kinderen
spelenderwijs met het schriftbeeld van het Nederlands vertrouwd te
maken, zodat zij het leerden lezen voor hun genoegen (leren schrijven
en spreken laat ik daar: leren lezen zou genoeg zijn). Maar door een
goed bedoeld maar onpractisch ingericht leerplan wordt de kans om in
de eigen taal een sleutel tot een Europese cultuur te krijgen almaar
door verzuimd en generaties van kinderen zijn nu al opgegroeid, die
ofschoon ze zoveel sterker in hun Afrikaans staan dan hun voorgangers
uit de Hooghollandse tijd, zich volslagen vreemd tegenover het
Nederlands voelen. Ofschoon zeg ik; want als men aan de
mogelijkheden denkt die het Afrikaans in zich bevat, dan ligt hier een
schrijnende tegenstelling. Wie als Dietsvoelend intellectueel, 't zij Afrikaner of Nederlander, de toestand beschouwt, kan niet bij enkel beschrijven en ontleden blijven. Wij zijn nog aan elkaar verbonden, wij maken nog deel uit van een gemeenschap die aan elks nationale cultuurkracht ruimer mogelijkheden biedt. Maar wij verwaarlozen die mogelijkheden nog te veel. Kleine volken als wij zijn in een wereld waarin massavorming zich meer en meer doet gelden, kunnen wij onze ontwikkling niet op haar beloop laten. Wij moeten trachten aan onze toekomst te werken. Wij moeten onze zwakheden en tekortkomingen in het oog vatten en met wil en beleid pogen onze mogelijkheden te verwezenlijken. Dat kan het Diets verband ons alle drie versterken. Anders zal het niet gaan. PROF. DR P. GEYL. |
Wilt U reageren? U kunt De Roepstem een e-mail
sturen: 
